direct naar inhoud van Toelichting
Plan: De Run 4200, snelfietsroute
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0861.BP00140-0401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De gemeente Veldhoven heeft, samen met de gemeente Eindhoven, de provincie Noord-Brabant, ASML en het Rijk, een maatregelenpakket vastgesteld om bedrijventerrein De Run bereikbaar te houden. Fietsers zijn een belangrijke doelgroep in het bereikbaar houden van het bedrijventerrein. Eén van de maatregelen is het realiseren van een aantrekkelijke fietsverbinding tussen bedrijventerrein De Run in Veldhoven en de High Tech Campus in Eindhoven (HTCE). De fietsroute zorgt voor een snelle en comfortabele verbinding tussen beide gebieden en fungeert daarnaast als inprikker op de Slowlane: het 32 kilometer lange fietspad (snelfietsroute) dat economische toplocaties en belangrijke groengebieden in de regio Eindhoven met elkaar verbindt.

De afgelopen jaren is onderzoek gedaan naar de fietsroute De Run - HTCE. Voor het Veldhovense deel van de route is gekozen voor de aanleg van een vrijliggend tweerichtingen-fietspad over De Run 4200. Het fietspad sluit aan de westzijde ter hoogte van het Maxima Medisch Centrum aan op de bestaande fietsinfrastructuur en sluit aan de oostzijde aan op de Ulenpas en de bus- en langzaamverkeerstunnel onder de A2/N2. Om een tweerichtingen-fietspad te kunnen realiseren dat voldoet aan de uitgangspunten van de Slowlane moet het profiel van De Run 4200 worden aangepast. De rijbaan schuift op in noordelijke richting om ruimte te maken voor het fietspad. De aanleg van het fietspad wordt aangegrepen om De Run 4200 volledig opnieuw in te richten in overeenstemming met de ambities van het Innovatief Werklandschap De Run en zodoende de openbare ruimte een kwaliteitsimpuls te geven.

De herinrichting van De Run 4200 past niet binnen het huidige bestemmingsplan. Het bestemmingsplan 'De Run 4200, snelfietsroute' is opgesteld om herinrichting van De Run 4200, inclusief de aanleg van de (snel)fietsroute, juridisch-planologisch mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied van dit bestemmingsplan bestaat uit het gedeelte van De Run 4200 tussen de kruising met De Run 4500 in het westen en de aansluiting op de Ulenpas in het oosten. De plangrens sluit aan weerszijden van de weg aan op de kadastrale grens van de bedrijfspercelen, zodat de hele openbare ruimte van De Run 4200 in het plangebied ligt.

De Run 4500 gaat in zuidelijke richting over in de Onze Lieve Vrouwedijk, die de A67 kruist via een viaduct. In deze toelichting wordt consequent gesproken over de kruising De Run 4200/De Run 4500. In een aantal onderliggende rapporten wordt gesproken over de kruising De Run 4200/Onze Lieve Vrouwedijk. Hiermee wordt op dezelfde kruising gedoeld. 

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0001.png"

Figuur 1.1: Ligging van het plangebied (rood vlak) en van de belangrijkste wegen in de omgeving

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0002.png"

Figuur 1.2: Begrenzing van het plangebied

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Voor het plangebied gelden drie bestemmingsplannen:

  • Voor het grootste deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'De Run 2008, herziening I, 2010', dat is vastgesteld door de gemeenteraad op 16 december 2010. De Run 4200 is in dat bestemmingsplan deels bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied' en deels als 'Groen'. De rijbaan, de bestaande fietspaden en de bermen tussen de fietspaden en de bedrijfspercelen zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. De groene bermen tussen de rijbaan en de fietspaden, waarin de laanbeplanting van eikenbomen staat, zijn bestemd als 'Groen'.
  • Voor het westelijk deel van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kempenbaan-Oost', dat op 26 maart 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad. Het gedeelte van De Run 4200 dat in het plangebied van het bestemmingsplan 'Kempenbaan-Oost' ligt, is volledig bestemd als 'Verkeer'. Deze bestemming maakt de beoogde herinrichting van De Run 4200 al mogelijk. De gronden zijn toch opgenomen in het plangebied van dit nieuwe bestemmingsplan, zodat het hele projectgebied binnen de plangrens valt.
  • Voor een klein deel van het plangebied, gelegen tegen de gemeentegrens, geldt het bestemmingsplan 'Reconstructie A2/A67'. Dit bestemmingsplan is op 2 augustus 2007 vastgesteld door de gemeenteraad van Eindhoven, maar geldt na grenscorrectie ook in de gemeente Veldhoven. De gronden hebben in dit bestemmingsplan de bestemming 'Verkeersdoeleinden'.

De beoogde herinrichting van De Run 4200 is niet mogelijk omdat binnen de bestemming 'Groen' van het bestemmingsplan 'De Run 2008, herziening I, 2010' geen wegen zijn toegestaan. Daarom is dit nieuwe bestemmingsplan opgesteld.

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit een digitale en papieren versie van de verbeelding met de daarbij behorende regels. De digitale verbeelding is rechtsgeldig en is raadpleegbaar via www.ruimtelijkeplannen.nl. Dit is een landelijke website waarop alle bestemmingsplannen van Nederland staan. Alleen de digitale versie is juridisch bindend.

Bij het bestemmingsplan is een toelichting gevoegd. In de toelichting wordt aangegeven waarom het bestemmingsplan is opgesteld, wat de effecten van het bestemmingsplan zijn en welke afwegingen hebben plaatsgevonden.

Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2. Hierin wordt aandacht besteed aan de tracékeuze en alternatievenafweging en aan de de bestaande en nieuwe situatie. Hoofdstuk 3 bevat de beleidskaders en een motivatie hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot het beleid van verschillende overheden. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in de relevante planologische aspecten, al dan niet milieutechnisch van aard. In hoofdstuk 5 staat uitleg over de uitvoerbaarheid, waarbij ingegaan wordt op de economische uitvoerbaarheid en de procedure (maatschappelijke uitvoerbaarheid) van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 6 geeft een uitleg over de juridische aspecten van het plan waarbij ook een korte uitleg van de bestemmingsregels wordt gegeven.

Hoofdstuk 2 Beschrijving ontwikkeling

In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling beschreven. In paragraaf 2.1 wordt ingegaan op de tracékeuze voor de snelfietsroute De Run - HTCE en op de alternatieven die zijn onderzocht. In paragraaf 2.2 is een beschrijving van de bestaande situatie opgenomen. In paragraaf 2.3 wordt het plan toegelicht, waardoor duidelijk wordt hoe het plangebied er in de toekomst uit gaan zien.

2.1 Tracékeuze en alternatievenafweging

2.1.1 Verkenning snelfietsroute De Run - HTCE

De gemeenten Veldhoven en Eindhoven en de overige partners in de regio hebben hoge ambities voor de verbetering van de fietsmogelijkheden in de regio Eindhoven. Deze ambities worden concreet vormgegeven door realisering van de Slowlane en door de aanleg van andere snelfietsroutes in de regio. Eén van de ambities is het realiseren van een snelfietsroute Eersel - Veldhoven De Run - Eindhoven-Zuid (HTCE) - Geldrop. Deze route fungeert vanuit Veldhoven, Waalre en Eersel tevens als inprikker op de Slowlane.

Het tracédeel De Run - HTCE is een schakel in de totale verbinding en verbindt bedrijventerrein De Run met de High Tech Campus. Door de aanleg van dit deel van de fietsroute ontstaat voor de bedrijven op De Run (waaronder ASML en het Maxima Medisch Centrum) een snelle en aantrekkelijke fietsroute van en naar Eindhoven. In 2018 is een verkenning verricht naar het tracé voor de snelfietsroute De Run - HTCE, waarin verschillende alternatieven zijn afgewogen (Verkenning snelfietsroute De Run - HTCE, Antea Group, 8 oktober 2018). Het doel van de verkenning was om te komen tot een door de stakeholders gedragen voorkeursvariant voor de snelfietsroute, die tevens de mogelijkheid biedt voor toekomstige Smart Mobility. De rapportage is als Bijlage 1 bij deze toelichting opgenomen.

Doelgroepen

De snelfietsroute De Run - HTCE verbindt twee economisch belangrijke locaties met elkaar en is onderdeel van de (snel)fietsroute tussen Eersel en Geldrop. De verbinding richt zich op utilitaire fietsers (forenzen van en naar de bedrijventerreinen en campussen en zakelijke fietsers tussen de campussen van De Run en HTCE, maar ook Strijp-S en TU/e) en op recreatieve fietsers.

Tracévarianten

De verbinding tussen De Run en de HTCE kan op verschillende manieren worden vormgegeven. Het onderzoeksgebied van de verkenning strekt zich uit tussen het zuidelijk deel van de woonwijk Ooievaarsnest in Eindhoven en de Dommel. Tussen De Run en de HTCE ligt het natuurgebied 'de Klotputten'. De ideale verbinding tussen de twee bedrijventerreinen is een rechte lijn, aangezien een rechte verbinding voor de doelgroep utilitaire fietsers het meeste comfort biedt. Een directe verbinding moet echter vormgegeven worden over of door 'de Klotputten' en is daarom niet realistisch, gelet op de haalbaarheid en de verstoring van natuurwaarden. Daarbij is een nieuwe onderdoorgang onder, of een brug over de A2/N2 ruimtelijk en financieel niet haalbaar. Deze optie is daarom niet meegenomen in verdere afwegingen van de tracévarianten.

De varianten die wel zijn meegenomen maken gebruik van bestaande structuren. Als uitgangspunt zijn bestaande paden of onderhoudspaden genomen die zijn verknoopt tot tracévarianten. In de verkenningenstudie zijn drie noordelijke tracévarianten (A1, A2 en A3), drie zuidelijke tracévarianten (B1, B2 en B3) en twee gecombineerde varianten (C1 en C2) onderzocht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0003.png"

Figuur 2.1: Noordelijke tracévarianten A1, A2 en A3

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0004.png"

Figuur 2.2: Zuidelijke tracévarianten B1, B2 en B3

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0005.png"

Figuur 2.3: Gecombineerde tracévarianten C1 en C2

Uitgangspunt voor het onderzoek is de aanleg van een fietsverbinding tussen het Maxima Medisch Centrum in het westen en de High Tech Campus in het oosten. De fietsverbinding moet voldoen aan de uitgangspunten van de Slowlane. De Slowlane is een breed tweerichtingenfietspad, uitgevoerd in rood asfalt, met een eenduidige en hoogwaardige uitstraling met een herkenbare 'S' als middenas-markering. Het ambitieniveau van de Slowlane is hoog: uitgangspunt is een fietspad van 4,50 meter breedte met een minimale breedte van 4,10 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0006.png"

Figuur 2.4: Basiskenmerken uitstraling Slowlane (tweerichtingen-fietspad)

Beoordeling varianten en selectie voorkeursvariant

De varianten zijn beoordeeld op de volgende onderwerpen:

  • directheid/samenhang
  • verkeersveiligheid
  • sociale veiligheid
  • ecologie
  • water
  • archeologie
  • kabels en leidingen
  • bestemmingsplan
  • vergunningen

De beoordeling levert het resultaat op zoals weergegeven in figuur 2.5.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0007.png"

Figuur 2.5: Beoordeling varianten

Geconstateerd is dat de noordelijke varianten (A) beter scoren dan de zuidelijke varianten (B) en de gecombineerde varianten (C). De noordelijke varianten scoren met name beter op directheid/samenhang. Dat hangt er mee samen dat de noordelijke varianten door bedrijventerrein De Run (Veldhoven) en Gestel (Eindhoven) lopen, terwijl de zuidelijke varianten juist om die gebieden heen gaan en enkel aan de eindpunten belangrijke bestemmingen hebben. Ook gaan de noordelijke varianten gevoelsmatig rechter op het doel af. Daarnaast scoren de noordelijke varianten gemiddeld beter op sociale veiligheid, ecologie (vanwege het ontzien van 'de Klotputten'), water, archeologie, kabels en leidingen en bestemmingsplannen.

Met name variant A1 en A2 kennen vrijwel alleen positieve scores voor de belangrijkste aspecten. Variant A1 scoort op twee aspecten gemiddeld (verkeersveiligheid en sociale veiligheid), variant A2 scoort ook op het aspect bestemmingsplannen gemiddeld. Wanneer de weging van de aspecten wordt meegenomen in de bepaling van de varianten, scoort variant A1 het meest positief. Verkeersveiligheid is een aandachtspunt voor variant A1. Variant A2 scoort in het algemeen ook positief. Deze variant gaat echter deels over niet bestaande paden, wat minder positief is voor het aspect ecologie. Variant A3 scoort op sociale veiligheid minder goed dan de varianten A1 en A2. Door de routering aan de achterzijde van bedrijven op De Run 4300 bevat variant A3 een sociaal onveilig tracédeel.

Uitwerking voorkeursvariant

Op basis van de inhoudelijke beoordeling is tracé A1 als voorkeursvariant aangemerkt. Deze variant is daarom nader uitgewerkt tot een schetsontwerp. Voor het grondgebied van de gemeente Veldhoven is de uitwerking als volgt:

Het voorkeurstracé begint bij het Maxima Medisch Centrum. Na het kruispunt De Run 4200/De Run 4500 komt er een tweerichtingen-fietspad aan de zuidzijde van De Run 4200. Een snelfietspad van 4,5 meter breed lijkt te passen in de bestaande ruimte tussen de perceelgrenzen en de bomen. Het heeft echter wel consequenties voor de weg, aangezien de berm verbreed dient te worden aan de zijde van de weg om auto's te kunnen opstellen en de bomen voldoende ruimte te bieden. Daarom wordt uitgegaan van volledige reconstructie van De Run 4200. Bij het kruispunt Ulenpas buigt het fietspad af richting de huidige busbaan. Hier gaat de fietsroute verder als fietsstraat.

2.1.2 Onderzoek alternatieve route

Voorkeurstracé A1 is voor het grondgebied van de gemeente Veldhoven in 2019 verder uitgewerkt in een voorlopig ontwerp. In het voorlopig ontwerp ligt de snelfietsroute aan de zuidzijde van De Run 4200. Een ligging aan de zuidzijde van de rijbaan is het meest gunstig, omdat daarmee ter hoogte van de aansluiting op de Ulenpas de rijbaan niet hoeft te worden overgestoken en omdat ter hoogte van de kruising De Run 4200/4500 op een logische manier wordt aangesloten op de bestaande fietsinfrastructuur. Door deze situering kruist het fietspad echter circa 20 uitritten van bedrijven. Mede vanwege de weerstand die dit bij een aantal bedrijven heeft opgeroepen, is in 2020 aanvullend onderzoek gedaan naar een alternatieve route waarbij de fietsroute niet over De Run 4200 loopt, maar aan de achterzijde van de bedrijfspercelen aan De Run 4300, in de oksel A2/A67. De rapportage van dit onderzoek (Alternatieve route Inprikker Slowlane, RoyalHaskoningDHV, 6 maart 2020) is als Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen.

Tracévarianten

In het alternatievenonderzoek is het voorlopig ontwerp van de snelfietsroute aan de zuidzijde van De Run 4200 vergeleken met een schetsontwerp voor een alternatieve route. De alternatieve route bestaat uit een twee-richtingenfietspad van het Maxima Medisch Centrum naar het zuiden, die het viaduct van De Run 4500/Onze Lieve Vrouwedijk met een fietstunnel kruist en dan achter de bedrijfspercelen aan De Run 4300 loopt tot aan de aansluiting met de Ulenpas en de onderdoorgang A2/N2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0008.png"

Figuur 2.6: Voorlopig ontwerp fietsroute zuidzijde De Run 4200 

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0009.png"

Figuur 2.7: Alternatief tracé aan de achterzijde van de bedrijfspercelen aan De Run 4300, in de oksel A2/A67

Beoordeling varianten

De twee varianten zijn beoordeeld op de volgende onderdelen:

  • verkeersveiligheid
  • sociale veiligheid
  • fietspotentie
  • recht doen aan het ontwikkelperspectief
  • kabels en leidingen
  • water
  • groen
  • kosten

De beoordeling levert het resultaat op zoals weergegeven in figuur 2.8.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0010.png"

Figuur 2.8: Beoordeling varianten

Uit de beoordeling blijkt dat het schetsontwerp voor De Run 4200 en het alternatieve tracé op het aspect verkeersveiligheid even goed scoren. Op alle overige beoordelingsaspecten scoort het schetsontwerp voor De Run 4200 (aanzienlijk) beter dan het alternatief.

Het tracé over De Run 4200 scoort onder meer aanzienlijk hoger op fietspotentie (zeer positief tegenover licht negatief). De alternatieve route is circa 350 meter langer dan het tracé over De Run 4200. Hoewel er een kruising minder is vanwege de aanleg van een tunnel onder de De Run 4500/Onze Lieve Vrouwedijk, is de conclusie dat fietsers niet snel geneigd zijn om de alternatieve route te gebruiken. De route gaat namelijk vanaf de kruising bij het Maxima Medisch Centrum tegen de gewenste richting in. Kiezen voor deze route is daarom tegen-intuïtief, waardoor slechts een beperkt aantal fietsers voor de alternatieve route kiest. Het merendeel van de fietsers zal, uitgaande van het beginpunt bij het kruispunt vóór het Maxima Medisch Centrum, blijven kiezen voor de bestaande fietspaden aan weerszijden van De Run 4200. Door de fietsroute door te trekken langs de A67 richting ASML kan het fietspotentieel van de alternatieve route verder worden vergroot. Voor gebruikers vanuit het Maxima Medisch Centrum verandert de situatie echter niet, zodat ook in die situatie de route over De Run 4200 voor veel fietsers de meest logische route blijft.

Dit betekent dat de bestaande conflictsituaties ter plaatse van de uitritten in De Run 4200 zich voor blijven doen. De veiligheidswinst die in het nieuwe schetsontwerp voor De Run 4200 wordt bereikt door vergroting van de afstanden tussen de uitritten en het fietspad en door ruime zichthoeken vrij te houden, doen zich niet voor omdat de weg niet wordt heringericht. Hoewel de alternatieve fietsroute door de aanwezigheid van minder conflictsituaties verkeersveiliger is dan de nieuwe route, is op netwerkniveau slechts sprake van een beperkte veiligheidswinst doordat veel fietsers gebruik zullen blijven maken van de huidige fietspaden langs De Run 4200. De alternatieven zijn daarom op het gebied van verkeersveiligheid gelijkwaardig beoordeeld.

Op de overige aspecten scoort het alternatieve tracé slechter dan het tracé over De Run 4200. Zo is de route sociaal onveiliger, blijft de kans liggen om De Run 4200 in zijn geheel te reconstrueren (en daarmee recht te doen aan het ontwikkelperspectief), is sprake van meer aantasting van groen/natuur en zijn de kosten voor het alternatief aanzienlijk hoger: de geraamde kosten voor de infrastructuur bedragen 4 miljoen euro in plaats van 1,5 miljoen euro. In het rapport is dan ook geadviseerd om de alternatieve route te laten vervallen en de huidige route aan de zuidzijde van De Run 4200 verder uit te werken.

2.2 Bestaande situatie

De Run 4200 is een verkeerslus die het zuidoostelijk deel van bedrijventerrein De Run ontsluit. Dit gedeelte van bedrijventerrein De Run wordt aan de noordwestzijde begrensd door de Kempenbaan, aan de zuidwestzijde door De Run 4500 en aan de oost- en zuidzijde door de A2/N2 en de A67. De snelwegen vormen een fysieke barrière tussen het bedrijventerrein en de gebieden ten oosten en zuiden van de snelwegen. Ter hoogte van de Ulenpas is weliswaar sprake van een onderdoorgang, maar die is uitsluitend bestemd voor langzaam verkeer en openbaar vervoer. De Run 4200 sluit in het noordwesten aan op de Kempenbaan en in het zuidwesten op De Run 4500. De Run 4300 en De Run 4400 sluiten op hun beurt aan op De Run 4200 en vormen twee ontsluitingslussen van lagere orde, die de bedrijfskavels bereikbaar maken die op grotere afstand van De Run 4200 liggen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0011.png"

Figuur 2.9: Ontsluitingsstructuur zuidoostelijk deel bedrijventerrein De Run voor gemotoriseerd verkeer

Aan weerszijden van De Run 4200 liggen bedrijfspercelen, in oppervlakte variërend van minder dan 1.000 m2 tot ruim 2,5 hectare. De bedrijfspercelen ontsluiten deels rechtstreeks op De Run 4200 en zijn deels bereikbaar via De Run 4300 en De Run 4400.

De Run 4200 heeft een wegprofiel waarin het langzaam verkeer is gescheiden van het gemotoriseerd verkeer. Het profiel bestaat uit een centraal gelegen rijbaan met twee rijstroken, met aan weerszijden daarvan groene bermen met laanbeplanting van eiken en daarachter vrijliggende fietspaden. Tussen de fietspaden en de bedrijfspercelen liggen groene bermen. Aan de zuidzijde staan in deze bermen hagen die de scheiding tussen het openbaar gebied en de bedrijfspercelen markeren. De bedrijven aan weerszijden van De Run 4200 zijn bereikbaar via inritten die de fietspaden kruisen. De fietser heeft zowel ter plaatse van deze inritten als ter plaatse van de kruisingen met De Run 4300 en 4400 voorrang op het gemotoriseerd verkeer. In het oostelijk deel van het bedrijventerrein, tegen de A2/N2, buigt De Run 4200 af in noordelijke richting. Vanaf hier is sprake van een soberder profiel. Na de bocht is geen sprake meer van boombeplanting en fietsers moeten hier gebruikmaken van de rijbaan.

2.3 Toekomstige situatie

Uit alternatievenonderzoek (zie paragraaf 2.1) is voor het Veldhovense deel van de verbinding De Run - HTCE een tracé over De Run 4200 als voorkeursalternatief naar voren gekomen. Naar aanleiding hiervan is een voorlopig ontwerp opgesteld, waarin niet alleen de aanleg van de snelfietsroute, maar een volledige herinrichting van De Run 4200 is uitgewerkt. Het voorlopig ontwerp voorziet in een nieuwe inrichting die:

  • 1. het gemotoriseerd verkeer en het langzaam verkeer op een efficiënte en verkeersveilige wijze afwikkelt; en
  • 2. het totale wegprofiel van De Run 4200 opwaardeert tot een aantrekkelijk, groen profiel dat pas bij de ambities voor de opwaardering van bedrijventerrein De Run en dat niet alleen ruimte geeft aan gemotoriseerd verkeer, maar ook aan fietsers en voetgangers.

Het voorlopig ontwerp is uitgebreid beschreven in een ontwerpnotitie (Ontwerpnotitie bij voorlopig ontwerp Inprikker Slowlane, RoyalHaskoningDHV, 29 november 2019), die als Bijlage 3 bij deze toelichting is opgenomen. Hierna wordt het wegontwerp toegelicht.

2.3.1 Wegontwerp

Verkeerskundige uitgangspunten

Voor het project zijn de volgende verkeerskundige uitgangspunten gehanteerd:

  • Het kruispunt De Run 4200 – De Run 4500 dient in zijn bestaande vorm gehandhaafd te blijven. Eventuele aanpassingen aan dit kruispunt zijn gezien de hoge belasting van het kruispunt niet, of maar zeer beperkt mogelijk.
  • Uitgangspunt is dat er een volledig bruikbaar vrijliggend fietspad met een breedte van 4,5 meter en gesloten verharding in de kleur rood wordt gerealiseerd.
  • De route moet zoveel mogelijk conflictvrij uitgevoerd worden, waarbij de fietsroute voorrang heeft ten opzichte van de kruisende wegen.
  • Het gedeelte van de inprikker van de Slowlane over De Run 4200 dient volledig gerevitaliseerd te worden met inachtneming van het 'Ontwikkelperspectief Innovatiewerklandschap De Run'.

Basisprofiel

Op basis van de verkeerskundige uitgangspunten is een basisprofiel voor De Run 4200 ontworpen. Bij het tot stand komen daarvan is gezocht naar de samenhang van de verschillende functies.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0012.png"

Figuur 2.10: Basisprofiel De Run 4200

Het basisprofiel is als volgt opgebouwd:

  • Aan de noordzijde van De Run 4200 is in de brede buitenberm voorzien in een loopvoorziening met een breedte van 1,6 meter. De berm wordt landschapelijk ingericht, met bomen en planten en ruimte voor de aanleg van wadi's.
  • De rijbaan van De Run 4200 wordt (net als nu) voorzien van een rijbaanbreedte van 6,8 meter. Hiermee is de rijbaan breed genoeg voor alle soorten (auto)verkeer, waaronder vrachtwagens en bussen. Daarnaast draagt deze breedte bij aan een goede bereikbaarheid van de bedrijfsuitritten.
  • De tussenberm tussen de rijbaan en de snelfietsroute heeft een breedte van 5,0 meter. Deze breedte is conform de landelijk geldende richtlijnen en is noodzakelijk om een afslaand voertuig voldoende opstelruimte te bieden. Daarnaast kan een auto die een bedrijfsuitrit verlaat in deze tussenberm opstellen indien de auto moet wachten op passerend autoverkeer op De Run 4200.
  • In het dwarsprofiel is in de tussenberm voorzien in een bomenrij. De plaatsing van de bomen is aangepast op de zichtlijnen vanuit de verschillende bedrijfsuitritten en aansluitende wegen (obstakelvrije ruimte), zodat ruim zicht is tussen de uitritten en het fietsverkeer en gemotoriseerd verkeer op De Run 4200. Deze toetsing heeft voor alle uitritten en aansluitende wegen plaatsgevonden. Nieuwe bomen worden minimaal 2 meter (hart boom) uit de erfgrens geplaatst.
  • De snelfietsroute ligt aan de zuidzijde van de rijbaan en heeft een breedte van 4,5 meter voor fietsverkeer in twee richtingen. Bij het verlaten van de uitritten dient men voorrang te verlenen aan de fietsers op de Slowlane.
  • Tussen het fietspad en de perceelsgrenzen aan de zuidzijde is een buitenberm voorzien van 3,0 meter (inclusief de bestaande haag). Door deze brede buitenberm is de snelfietsroute voor automobilisten die de bedrijfsuitritten willen verlaten goed overzichtelijk. Belangrijk bij een goede overzichtelijkheid van de snelfietsroute is de hoogte van de haag en eventuele andere beplanting. Deze dient laag te zijn (en te blijven).

Inpassing basisprofiel

Het basisprofiel wordt toegepast voor het hele weggedeelte van De Run 4200 waar herinrichting plaatsvindt. Eén van de belangrijkste keuzes is de ligging van het fietspad aan de zuidzijde van de rijbaan, mede in relatie tot het aantal inritten naar bedrijfspercelen aan deze zijde van De Run 4200 (circa 20 stuks).

 afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0013.png"

Figuur 2.11: Herinrichting De Run 4200 (zuidelijk deel)

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0014.png"

Figuur 2.12: Herinrichting De Run 4200 (noordelijk deel, inclusief voorstel voor aansluiting Ulenpas)

Voor het horizontaal alignement zijn de volgende ontwerpkeuzes gemaakt:

  • De keuze voor de zuidelijke ligging van het fietspad is het gevolg van de omringende infrastructuur (kruising met De Run 4500 en aansluiting bij de Ulenpas) en de mogelijkheid om de Slowlane zonder oversteekbewegingen aan te sluiten op de omringende (fiets)infrastructuur.
      • De fietsinfrastructuur ter hoogte van het Maxima Medisch Centrum en ASML ligt aan de zuidzijde van de Run 4200. Door ook de Slowlane aan de zuidzijde te ontwikkelen is het mogelijk om hier direct op aan te sluiten. In de bestaande situatie maken fietsers oneigenlijk gebruik van het fietspad aan de zuidzijde van De Run 4200 en rijden ze tegen de richting in om minder verliestijd te hebben bij de kruising met De Run 4500.
      • Door de Slowlane aan de zuidzijde te realiseren hoeven fietsers ter hoogte van de onderdoorgang A2/N2 (Ulenpas) de rijbaan niet over te steken.
  • In combinatie met het ruim opgezette dwarsprofiel met circa 3,0 meter ruimte tussen de uitritten en de Slowlane is voldoende overzicht aanwezig om vanuit de uitritten de verkeersstromen op het fietspad te beoordelen. Dit geldt tevens voor de brede tussenberm die het mogelijk maakt om tussen fietspad en rijbaan op te stellen.
  • Ter hoogte van de aansluiting op De Run 4500 is het bestaande fietspad vanuit Waalre aangepast om ondergeschikt aan te sluiten op de Slowlane. Hierdoor is het voor de weggebruiker duidelijk dat de Slowlane voorrang heeft op de aansluitende wegen en fietspaden.
  • Het kruisingsvlak met De Run 4500 is gelijk aan het bestaande kruisingsvlak. Ook de opstelvakken zijn gelijk aan de huidige situatie. Aandachtspunten zijn de voetgangersstromen bij de verkeerslichten en mogelijk oneigenlijk gebruik van het wandelpad aan de noordzijde van De Run 4200. Dit pad kan in de toekomst mogelijk oneigenlijk gebruikt worden door fietsers.
  • De kruisingsvlakken tussen De Run 4200 en de aansluitende wegen zijn voorzien van plateaus. Hiermee wordt de rijsnelheid op de rechtstand van De Run beperkt. Ter plaatse van de kruisingen zijn doorsteken in de tussenberm voorzien, zodat fietsers op een logische locatie de rijbaan van De Run 4200 kunnen oversteken.
  • De bestaande parkeerstrook langs De Run 4200 is in het ontwerp komen te vervallen. Het gebruik van de parkeerstrook is beperkt en op basis van enkele locatiebezoeken en de terugkoppeling van de bedrijven is de parkeerstrook niet meer teruggebracht in het nieuwe ontwerp.
  • De bushaltes langs De Run 4200 blijven in de toekomst op hun bestaande locatie gehandhaafd en worden als toegankelijke haltes uitgevoerd. De haltes worden uitgevoerd zonder abri, zoals ook in de huidige situatie het geval is.
  • In het kader van de verkeersveiligheid is het cruciaal dat het zicht op het verkeer op de Slowlane en De Run 4200 zowel vanuit de zijstraten als vanuit de uitritten goed is. Hiervoor is gebruikt gemaakt van zogenaamde zichtdriehoeken. Aan de hand van gestandaardiseerde zichtdriehoeken kan bepaald worden welk deel van de tussenberm en buitenberm vrij moet blijven van groen, borden, bomen enzovoorts. Deze analyse is voor alle zijstraten en uitritten uitgevoerd en de plaatsing van de bomen is hierop aangepast.
  • De uitritten van de bedrijven zijn zodanig vormgegeven dat deze goed bereikbaar zijn voor zowel autoverkeer als vrachtverkeer. Als maatgevend voertuig is een trekker-opleggercombinatie gehanteerd. Deze analyse is voor alle uitritten langs De Run 4200 uitgevoerd, zowel voor de noord- als de zuidzijde. Van een aantal uitritten is niet bekend of een vrachtwagen de uitrit moet kunnen bereiken. Als aanvullende analyse zijn de uitritten daarom ook getoetst met een personenauto met aanhanger.

Aansluiting De Ulenpas

De Run 4200 wordt heringericht tot aan de aansluiting met de Ulenpas (onderdoorgang A2/N2). Hiervoor geldt het volgende:

  • Op dit moment is de inrichting van het Eindhovense deel nog niet bekend. Vooralsnog is ter plaatse van de onderdoorgang uitgegaan van een vrijliggende snelfietsroute aan de zuidzijde van de rijbaan. Hiermee worden onnodige oversteekbewegingen voorkomen.
  • De gemeente Veldhoven is voornemens om naast de inprikker van de Slowlane ook een fietspad parallel aan de A2/N2 te realiseren. In het ontwerp voor de inprikker is hiermee rekening gehouden en dit fietspad is (ondergeschikt) aangesloten op de inprikker. Aanleg van het fietspad is onderdeel van de reconstructie van de Kempenbaan-Oost, waarvoor op dit moment een afzonderlijk bestemmingsplan in voorbereiding is.
  • Er is op dit deel ook voorzien in een trottoir om de fietsers en voetgangers onder de onderdoorgang van elkaar te scheiden.

Landschappelijke inpassing

Het nieuwe profiel van De Run 4200, met inpassing van de snelfietsroute, geeft de mogelijkheid om De Run 4200 een compleet nieuwe inrichting te geven. De kap van de aanwezige bomen is noodzakelijk om een nieuw, ideaal profiel aan te leggen. Hierdoor ontstaat de kans om de weg een nieuwe, groene uitstraling te geven die past bij de ambities voor de inrichting van De Run als innovatief werklandschap. In landschappelijk opzicht is het profiel van zuid naar noord opgebouwd uit de volgende elementen:

  • Haag (zoals aanwezig) als afscheiding tussen de bedrijfspercelen en het openbaar gebied. De breedte van deze haag is ongeveer 75 centimeter, de hoogte 60 centimeter.
  • Beplante berm. De totale breedte van deze zone is 2,25 meter. De totale berm krijgt hierdoor, inclusief haag, een breedte van 3,0 meter.
  • Snelfietspad, uitgevoerd in rood asfalt met als markering de voor de Slowlane kenmerkende s-vorm. De breedte is 4,50 meter. Het snelfietspad watert af op de aangrenzende noordelijke berm. Het snelfietspad heeft voorrang op verkeer uit de (bedrijfs)inritten.
  • Berm, beplant met bloemenmengsel en een bomenrij. Deze berm wordt ingericht met een laagte voor waterberging die asymmetrisch gelegen is. De totale breedte van deze zone is 5,0 meter.
  • Rijbaan, uitgevoerd in zwart asfalt en gedeeltelijk voorzien van wegmarkering. De breedte van de rijbaan is 6,80 meter. De rijbaan watert af op de aangrenzende bermen.
  • Parkzone. De breedte van deze zone varieert van circa 6,5 meter tot circa 10 meter. De parkzone wordt voorzien van een slingerend wandelpad met een breedte van 1,5 meter, uitgevoerd in asfalt met afstrooilaag. Op sommige plekken, waar een bredere wadi voor waterberging wordt toegepast, kan een houten vlonder worden toegepast. De parkzone wordt beplant met bomen, in een vrij verband met een bloemenmengsel als basisbeplanting.
  • Op enkele locaties vinden incidentele ingrepen plaats:
      • Accentueren van verblijfsplekken bij bushalte en in parkzone.
      • Creëren van een natuurlijke overgang tussen openbare ruimte en privéterreinen ter hoogte van privéhekwerken en schuttingen. Dit geldt enkel aan de noordzijde van de parkzone.
      • Verblijfsplek bij overgang tussen de Run 4200 en viaduct N2/A2. Het einde van de wandelzone wordt voorzien van een verblijfsplek met picknickbanken en afvalbakken. Deze ruimte wordt omrand door heesters en enkele (sier)bomen.

Eén van de kwaliteiten van het huidige profiel is de aanwezigheid van de karakteristieke bomenlaan. Om ruimte te maken voor de herinrichting en de verschuiving van de rijbaan moeten de laanbomen worden gekapt. In de nieuwe situatie worden aan weerszijden van de weg nieuwe bomenlanen aangeplant, om in de toekomst eenzelfde sfeer uit te stralen. Het groene karakter van De Run 4200 blijft daarmee behouden.

2.3.2 Onderzoek centrale ligging fietspad

De snelfietsroute aan de zuidzijde van De Run 4200 kruist circa 20 uitritten van bedrijven. In het ontwerp is hier rekening mee gehouden, enerzijds door te voorzien in ruime bermen tussen de bedrijfspercelen en het fietspad en tussen de rijbaan en het fietspad, anderzijds door zichthoeken vrij te houden waardoor verkeersdeelnemers goed zicht op elkaar hebben. Dit neemt de conflictsituaties echter niet weg. Daarom is onderzoek gedaan naar een variant waarin het fietspad centraal in De Run 4200 ligt in plaats van aan de zuidzijde. In een notitie (Afweging variant inprikker Slowlane, RoyalHaskoningDHV, 14 februari 2020), die als Bijlage 4 bij deze toelichting is opgenomen, is deze variant beoordeeld. Hoewel de variant als voordeel heeft dat de bedrijfsuitritten het fietspad niet meer kruisen, zijn er ook verschillende nadelen, voor zowel de fietsers als de bedrijven:

  • Fietsers moeten altijd De Run 4200 oversteken om op het centrale fietspad te komen. Bij de aansluiting op De Run 4500 kan dat via verkeerslichten worden geregeld, aan de Eindhovense zijde (Ulenpas) is sprake van een oversteek zonder verkeerslichten.
  • Op de kruising bij De Run 4500 zijn aanvullende maatregelen nodig om de kruising aan te sluiten op de rijbanen.
  • Om de bereikbaarheid voor bedrijven langs De Run 4200 te garanderen moeten in het centraal gelegen fietspad doorsteken worden gemaakt die het mogelijk te maken om te keren. Deze doorsteken zijn een risico voor de verkeersveiligheid. Indien de doorsteken niet worden gemaakt, nemen de omrijafstanden toe.
  • Doordat de rijbanen van De Run 4200 in het alternatieve ontwerp opschuiven richting de bedrijfspercelen, is de bereikbaarheid van de bedrijfspercelen voor vrachtverkeer niet gegarandeerd. Dit kan uitsluitend worden opgelost als de uitritten zeer breed worden opgezet. Hierdoor zou aan de zuidzijde nagenoeg één brede uitrit ontstaan, wat de verkeersveiligheid en duidelijkheid niet ten goede komt.

Gelet op de impact op de ruimte en de aanvullende maatregelen die moeten worden getroffen, heeft deze variant niet de voorkeur.

2.4 Samenvatting en conclusie

De snelfietsroute die wordt aangelegd in De Run 4200 is onderdeel van de snelfietsroute Eersel - Veldhoven de Run - Eindhoven-Zuid (HTCE) - Geldrop en fungeert vanuit Veldhoven-Zuid als inprikker op de Slowlane. Uit alternatievenstudies is gebleken dat een tracé over De Run 4200 de voorkeur heeft voor dit deel van de snelfietsroute: dit tracé is de meest directe en daarmee de meest logische verbinding tussen De Run en Eindhoven-Zuid/High Tech Campus. De fietspaden aan weerszijden van De Run 4200 worden in de huidige situatie ook al gebruikt als fietsroute.

Aanleg van de snelfietsroute aan de zuidzijde van de rijbaan is uit verkeerskundig oogpunt het beste inpasbaar, gelet op de aansluiting op de huidige fietsinfrastructuur aan de westzijde (kruising met De Run 4500) en de oostzijde (aansluiting op de Ulenpas). In het ontwerp is veel aandacht besteed aan een verkeersveilige vormgeving van de kruisingen van de snelfietsroute met De Run 4300 en met de uitritten van bedrijfspercelen. Hiermee is sprake van een verkeersveilige oplossing, die tevens de kans biedt voor een volledige herinrichting van De Run 4200 met (na kap van de bomen en realisering van vervangend groen) behoud van het groene karakter.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

Bij het opstellen van beleid dienen gemeenten rekening te houden met het beleid van andere overheden. Zo geven het rijk, de provincie Noord-Brabant en de regio met het door hun gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In dit hoofdstuk worden de voor de ontwikkeling relevante zaken uit het nationale, provinciale en regionale beleid weergegeven. Ook wordt aangegeven hoe de ontwikkeling zich verhoudt met het beleid van de gemeente Veldhoven zelf.

3.1 Nationaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die op 13 maart 2012 door de minister is vastgesteld, is de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het rijksbeleid zoals opgenomen in de SVIR richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie, natuur, waterveiligheid, milieukwaliteit en bescherming van het werelderfgoed. Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', over aan provincies en gemeenten. Sturing op verstedelijking, waaronder afspraken over binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering, heeft het Rijk grotendeels losgelaten. Er is enkel nog sprake van een 'ladder voor duurzame verstedelijking', die is vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening.

Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland, door middel van een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken, werkt het Rijk samen met andere overheden. In de SVIR zijn ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028 geformuleerd. In de realisatieparagraaf van de SVIR zijn per nationaal belang de instrumenten uitgewerkt die hiervoor worden ingezet. Eén van deze instrumenten is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

Relatie met het bestemmingsplan

De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de SVIR. De aanleg van (snel)fietsroutes in de Brainportregio heeft tot doel om het fietsverkeer te bevorderen en daarmee de bereikbaarheid van de regio en de daarin gelegen woon- en werkgebieden te verbeteren. De SVIR heeft een dusdanig schaalniveau dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor dit bestemmingsplan.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de bijbehorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) vormen de juridische vertaling van de kaderstellende uitspraken die in de SVIR zijn geformuleerd. Het Besluit en de Regeling bevatten regels ter bescherming van de nationale belangen. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen, zodat ze doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming.

Relatie met het bestemmingsplan

Het plangebied valt volgens de kaarten van de Rarro in het obstakelbeheergebied rond Vliegbasis Eindhoven. Op deze gronden gelden op grond van artikel 2.6.4 van het Barro maximaal toelaatbare bouwhoogtes voor objecten ter bescherming van de veiligheid van het luchtvaartverkeer en ter bescherming van de werking van (radar)apparatuur. De bouwhoogtebeperkingen zijn overgenomen in dit bestemmingsplan, zodat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het Barro. In paragraaf 4.13 wordt hier gedetailleerd op ingegaan.

Het plangebied valt volgens de kaarten van de Rarro tevens in het radarverstoringsgebied van de radarinstallaties op vliegbasis Woensdrecht, op vliegbasis Volkel en in Herwijnen. Het plangebied ligt niet binnen de kern van de radarverstoringsgebieden maar binnen de daaromheen liggende ring. In die ring gelden uitsluitend bouwhoogtebeperkingen voor windmolens. Het radarverstoringsgebied legt daarom geen beperkingen op aan bebouwing binnen het plangebied. In paragraaf 4.14 wordt hier gedetailleerd op ingegaan.

3.1.3 Ladder voor duurzame ontwikkeling

Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening een motiveringsplicht opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De zogenaamde 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' is bedoeld om te komen tot een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten, waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. Per 1 juli 2017 is het aantal treden van de ladder gewijzigd van drie naar in beginsel één trede. In artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening is het volgende opgenomen:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Relatie met het bestemmingsplan

Een stedelijke ontwikkeling is volgens artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening gedefinieerd als een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. De reconstructie van wegen en de aanleg van nieuwe fietspaden valt niet onder dit begrip en zijn dus geen stedelijke ontwikkelingen als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet van toepassing op dit bestemmingsplan.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet (naar verwachting in 2022) hebben Provinciale Staten op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Met deze Omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk.

De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie geeft richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De visie zal komende jaren nader worden uitgewerkt in diverse programma's. Inmiddels is er ook een Interim omgevingsverordening vastgesteld, waarop hierna wordt ingegaan.

Relatie met het bestemmingsplan

De aanleg van (snel)fietsroutes geeft invulling aan de hoofdopgave 'Brabant als slimme netwerkstad' en past ook binnen de provinciale koers voor de overige hoofdopgaven. Het verbeteren van fietsvoorzieningen, en daarmee het stimuleren van het fietsgebruik, past binnen de Brabantse duurzaamheidsambities.

3.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet (naar verwachting in 2022). In de Interim omgevingsverordening zijn de voorheen geldende verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één provinciale verordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Enkele inhoudelijke wijzigingen zijn echter wel aangebracht. Op hoofdlijnen gaat het om:

  • a. een gebruikersvriendelijkere opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en met minder losse bijlagen;
  • b. aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de Omgevingswet;
  • c. aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit.

Zo wordt onderscheid gemaakt tussen rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven en instructieregels voor gemeenten. De instructieregels voor gemeenten hebben tot doel dat de gemeenteraad de in de Interim omgevingsverordening opgenomen voorwaarden betrekt bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit).

De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die wordt bepaald door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde.

Werkingsgebieden binnen het plangebied

De regels van de Interim omgevingsverordening zijn gekoppeld aan werkingsgebieden die op de kaart van de verordening zijn weergegeven. Voor de toepassing van de regels in hoofdstuk 3 van de verordening is Brabant onderverdeeld in drie werkingsgebieden: het Natuur Netwerk Brabant (NNB), het stedelijk gebied en het landelijk gebied. Daarnaast gelden voor een groot aantal regels specifieke werkingsgebieden, bijvoorbeeld voor de gebieden waar verstedelijking afweegbaar is, voor de ecologische verbindingszones en voor de gebieden waar extra beperkingen gelden voor veehouderijen.

Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt in het bestaand stedelijk gebied en is onderdeel van het stedelijk concentratiegebied. De provincie ziet de stedelijke concentratiegebieden en de daarbij behorende zoekgebieden voor nieuwe verstedelijking als ruimtelijk samenhangende verstedelijkte gebieden. Binnen deze gebieden liggen mogelijkheden voor verdere verstedelijking. Bij ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling aan functies, zoals uitgewerkt in paragraaf 3.1.2 van de Interim omgevingsverordening. Op grond van artikel 3.5 van de Interim omgevingsverordening dient rekening te worden gehouden met zorgvuldig ruimtegebruik, met de waarden in een gebied en met meerwaardecreatie. Opwaardering en uitbreiding van de infrastructuur is binnen het bestaand stedelijk gebied mogelijk.

Het plangebied ligt daarnaast in een boringsvrije zone. In een boringsvrije zone gelden op grond van paragraaf 2.1.4 van de Interim omgevingsverordening rechtstreeks werkende regels. Boringen zijn toegestaan tot een diepte van 70 meter, mits wordt gewerkt overeenkomstig het daarvoor geldende protocol en een startmelding wordt gedaan bij Gedeputeerde Staten. Op grond van artikel 3.12 van de Interim omgevingsverordening dient een bestemmingsplan dat van toepassing is op een boringsvrije zone mede te strekken tot het behoud van de weerstandbiedende bodemlagen en regels te stellen om risico's op schade aan de bodem en het grondwater te voorkomen.

Relatie met het bestemmingsplan

In het ontwerp voor De Run 4200 is rekening gehouden met zorgvuldig ruimtegebruik en met een inrichting die past bij het toekomstige gebruik van de weg. De aanleg van een snelfietsroute is aangegrepen voor een volledige reconstructie van De Run, waarbij meerwaarde wordt gecreëerd op het gebied van:

  • water: verbetering van de waterhuishoudkundige situatie door water ter plaatse te bergen en te infiltreren;
  • natuur: realisering van een afwisselendere groeninrichting, met meer mogelijkheden voor natuur;
  • gezondheid: naast de fietsverbinding wordt in het profiel van De Run 4200 een wandelpad gerealiseerd dat onder meer uitnodigt tot lunchwandelen voor de werknemers van de omringende bedrijven.

In hoofdstuk 2 van deze toelichting is beschreven op welke wijze De Run 4200 wordt heringericht en hoe daarbij rekening is gehouden met de omgeving.

Het bestemmingsplan ziet op de reconstructie van een weg en de aanleg van een nieuw fietspad, en daarmee op werkzaamheden die plaatsvinden in de bovenste laag van de ondergrond. Er is geen sprake van boringen dieper dan 70 meter. De rechtstreeks werkende regels van hoofdstuk 2 van de Interim omgevingsverordening volstaan voor de bescherming van de boringsvrije zone. Voor de boringsvrije zone is op de verbeelding een aanduiding opgenomen ('milieuzone - boringsvrije zone'). In de planregels is hieraan geen regeling gekoppeld, maar is ter signalering aangegeven dat de regels van de Interim omgevingsverordening van toepassing zijn in dit gebied.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Integrale Strategie Ruimte Metropoolregio Eindhoven (ISR)

In 2016 is Brainportregio Eindhoven door het Rijk erkend als één van de drie mainports. De 21 gemeenten van de Metropoolregio Eindhoven (MRE) hebben een gezamenlijke ambitie: de Brainport Eindhoven verder ontwikkelen tot een economische topregio die internationale allure verbindt aan regionale eigenheid.

De Integrale Strategie Ruimte Metropoolregio Eindhoven (ISR) is een ambitie-, inspiratie- en kansendocument voor de regio. Het is een basis van waaruit partijen op verschillende niveaus (lokaal, subregionaal en bovenregionaal) werken aan opgaven ter versterking van de kwaliteiten van de regio. Het vormt een gemeenschappelijk vertrekpunt voor de subregionale en lokale beleidsontwikkeling. De ISR ondersteunt daarmee de onderlinge en met andere partijen te maken afspraken. De ISR heeft een functie voor communicatie- en lobbytrajecten.

De ISR is opgesteld door de werkplaats Ruimte met partners uit het bedrijfsleven, wetenschap, onderwijs en overheden. De ISR zet in op 3 centrale thema's:

  • a. De energieke regio: de centra van steden en dorpen zijn van bewoners en bezoekers. Inrichting is gericht op beleving en verblijfskwaliteit.
  • b. De verbonden regio: Een onderscheidende regionale en (inter-)nationale bereikbaarheid. Verplaatsen in de regio is sneller, eenvoudiger en/of leuker.
  • c. De innovatieve regio: Economische activiteit en innovatie op werklocaties. Verbeteren verwevenheid campussen, kennisinstellingen en de innovatieve maakindustrie. Ruimte om te experimenteren.

De strategiekaart toont de keuzen, ambities en strategische projecten die van belang zijn op (inter)nationaal niveau, waaraan als Brainportregio wordt gewerkt. De Brainportregio maakt onderdeel uit van de nationale Ruimtelijke Economische Ontwikkelingsstrategie (REOS). Deze richt zich op het versterken van het economisch kerngebied van Nederland. Tegelijkertijd dragen de op de strategiekaart vermelde elementen ook bij aan een versterking van de regio zelf, wat goed is voor het woon-, leef en ondernemingsklimaat van iedereen in de regio.

De strategie is opgebouwd uit de thema's: economisch vestigingsklimaat; woon- en leefklimaat; omgevingskwaliteit; mobiliteit; duurzaamheid en klimaat. Per thema bevat de ISR een kaart en een beschrijving van het streven en de wijze waarop dit kan worden bereikt.

Relatie met het bestemmingsplan

Onderdeel van de gewenste verdere ontwikkeling van de Brainportregio is de realisering van een verbindend fietsnetwerk. In dit kader wordt de Slowlane gerealiseerd: een 32 kilometer lange fietsroute die de economische toplocaties in de Brainportregio verbindt en daarnaast groen, sport en bewegingsmogelijkheden combineert. Met de aanleg van een snelfietsroute tussen De Run en de High Tech Campus worden deze twee economische toplocaties verbonden en wordt vanuit Veldhoven-Zuid een inprikker voor de Slowlane gerealiseerd. Het bestemmingsplan geeft daarmee uitvoering aan de ambities van de Brainportregio voor een betere verbinding en verwevenheid van de (economische) locaties in de regio.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Ruimtelijke Structuurvisie Veldhoven

De Ruimtelijke StructuurVisie Veldhoven is op 3 juni 2009 vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie vormt de basis voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de gemeente en richt zich met name op de kwaliteiten van Veldhoven en het versterken van de identiteit. In de structuurvisie zijn keuzes gemaakt met betrekking tot het behoud en de versterking van zowel de stedelijke als de dorpse kwaliteiten van Veldhoven: deze kwaliteiten komen pas goed tot hun recht als voor iedere kwaliteit een eigen plek wordt gevonden.

In de structuurvisie is de verkeersstructuur van Veldhoven beschreven. Geconstateerd is dat de verkeersstructuur op onderdelen een impuls nodig heeft om ook in de toekomst garant te kunnen staan voor een duurzame ontsluiting van Veldhoven:

  • verbetering van de hoofdwegenstructuur van Veldhoven;
  • kwalitatieve verbetering van de verkeerstructuur, waarbij de overheersende rol van het autoverkeer plaatselijk wordt teruggedrongen ten gunste van het langzame verkeer;
  • uitbreiding van het (H)OV-netwerk, met name in de richting van De Run, het City Centrum en de woonwijken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0015.png"

Figuur 3.1: Uitsnede structuurvisiekaart met plangebied rood omcirkeld

Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt volgens de structuurvisiekaart binnen een bedrijventerrein. In de structuurvisie is aangegeven dat de economie en werkgelegenheidsfunctie van Veldhoven in de toekomst moeten worden versterkt. Ambities met betrekking tot de bedrijventerrein zijn onder meer:

  • het verbeteren van de ruimtelijke structuur en de ontsluiting van De Run;
  • het verbeteren van de kwaliteiten van de openbare ruimte, met een belangrijke rol voor het verminderen van de parkeerdruk op het openbaar gebied.

Aan de westzijde grenst het plangebied aan de Stedelijke As, die in noord-zuidrichting door Veldhoven loopt, van Meerhoven via het City Centrum naar De Run.

Relatie met het bestemmingsplan

De aanleg van een (snel)fietsroute en de opwaardering van De Run 4200 passen binnen de Ruimtelijke Structuurvisie Veldhoven. Er wort bijgedragen aan de ontsluiting van De Run en aan de gewenste kwaliteitsverbetering met de openbare ruimte. Voor fietsverkeer ontstaat een direct en comfortabele verbinding vanuit Eindhoven naar het Maxima Medisch Centrum, waar wordt aangesloten op de Stedelijke As.

3.4.2 Stadsvisie Veldhoven 2015-2030

In 2005 werd, na intensief overleg met bewoners, bedrijven en instellingen uit de Veldhovense samenleving, de Stadsvisie 2005 - 2030 'Het beste van Veldhoven, the best of both worlds' uitgebracht. Een document waarin, op basis van de bestaande situatie in 2005 en verwachte ontwikkelingen, de contouren werden vastgelegd voor het beleid richting de toekomst. De stadsvisie was vooral een wensbeeld: wat willen we met z'n allen voor de toekomst van Veldhoven? Geformuleerde speerpunten zijn:

  • diversiteit in woonmilieus; het beste van 2 werelden (stedelijk en dorps wonen);
  • ruimte voor beeldkwaliteit en architectuur;
  • ruimte voor landschappelijke elementen in de wijk;
  • eigen profiel voor wijken;
  • ontmoetingsplaatsen creëren voor alle doelgroepen;
  • wijken met een eigen identiteit en kwaliteit;
  • veilig, groen en ruim;
  • goed bereikbaar;
  • een hoog voorzieningenniveau (met name op het gebied van sport);
  • zorgvuldige inpassing van landschappelijke elementen en het versterken van landschappelijke waarden in de woonomgeving.

De Stadsvisie Veldhoven is in 2015 geactualiseerd. In samenspraak met diverse stakeholders zijn de sterke en zwakke kanten van Veldhoven in beeld gebracht en is de huidige situatie (anno 2015) beschreven. Een terugkerend kenmerk is dat de kracht van Veldhoven ligt in de combinatie van twee werelden: dorpse gevoelens in een verstedelijkte omgeving. Dit komt ook terug in de ligging van de gemeente, tussen de stad Eindhoven aan de ene zijde en de rust en landelijke ruimte van de Kempen aan de andere zijde.

De visie voor Veldhoven is erop gericht om deze kwaliteit (het 'beste van twee werelden', een combinatie van dorpse sfeer en stedelijke voorzieningen) vast te houden. De Stadsvisie 2015 - 2030 kan worden gezien als een startdocument waarin de richting van het gemeentelijk beleid is aangegeven. Hierbinnen worden onder andere de thema's 'wijken, wonen, leefbaarheid', 'sociaal domein', 'educatie, cultuur, sport en recreatie' en 'economie, middenstand en werkgelegenheid' onderscheiden.

Relatie met het bestemmingsplan

De realisering van een snelfietsroute in De Run 4200 voorziet in het verbeteren van de bereikbaarheid van De Run en Veldhoven en sluit daarmee aan bij de Stadsvisie waarin 'goed bereikbaar' een speerpunt is.

3.4.3 Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan

De gemeenteraad van Veldhoven heeft op 29 oktober 2019 het Gemeentelijke Verkeers- en Vervoersplan (GVVP) vastgesteld. Het verkeersbeleid dat in 2007 werd vastgesteld (Verkeerscirculatieplan) gaf nadrukkelijk aandacht aan de verkeersstructuur, waarvan veel is uitgevoerd. Het GVVP is breder georiënteerd. Er is naast aandacht voor de auto ook aandacht voor alternatieven. De ambities op dat vlak zijn hoog. Het GVVP heeft in de basis een looptijd tot en met 2030.

In het GVVP zijn de Veldhovense mobiliteitsambities verwoord en doorvertaald in dertien modules. Per module zijn acties en maatregelen benoemd, die zijn samengevoegd in een veertiende module: het integraal maatregelenpakket. In het GVVP is een onderlinge prioritering van de verschillende mobiliteitsthema's opgenomen. Veldhoven wil sterk inzetten op verkeersveiligheid, verkeerseducatie/voorlichting/handhaving, de fiets en leefbaarheid. De ambities voor Smart Mobility, regionaal en landelijk beleid, gemotoriseerd verkeer, voetgangers en openbaar vervoer zijn ook belangrijk, maar vergen minder inzet omdat deze thema's al goed op orde zijn. De laag geprioriteerde thema's vracht- en landbouwverkeer, ruimtelijke ontwikkelingen, parkeren en hulpdiensten zijn reeds op niveau en vragen daarom geen bijzondere inzet of investering.

Door de vele ontwikkelingen in Veldhoven neemt het aantal bewoners en werknemers de komende periode flink toe. De keerzijde van deze ontwikkelingen is dat ook de druk op de mobiliteit toeneemt. De ontwikkeling van Zilverackers, de verdere ontwikkeling van De Run, de aansluiting op de A67 (inclusief de N69) en de Zilverbaan zorgen eveneens voor veranderende en extra verkeersbewegingen. Daarbij moet structureel aandacht worden besteed aan de verkeersveiligheid en leefbaarheid. Bij het GVVP zijn kaarten opgenomen met het gewenste fietsnetwerk, het gewenste (H)OV netwerk en de wegcategorisering.

Module Fiets

Veldhoven onderschrijft het belang van de fiets als belangrijk vervoermiddel voor woon-werkverkeer, voor recreatie en toerisme en op schoolroutes. De komst van de elektrische fiets versterkt dit. Er wordt in de uitwerking van de module Fiets zwaar ingezet op het stimuleren van fietsgebruik, door gedragsbeïnvloeding, een uitstekend (fijnmazig) netwerk van fietsinfrastructuur en goede stallingsmogelijkheden bij de bestemmingen. Fietsroutes worden comfortabel en veilig ingericht, oversteeklocaties zijn veilig en fietsroutes mogen zo min mogelijk samenvallen met routes voor zwaar verkeer en auto (ontvlechten).

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0016.png"

Figuur 3.2: Kaart met huidig fietsnetwerk Veldhoven

Op de fietsnetwerkkaart is de fietsroute over De Run 4200 (van de Ulenpas tot de kruising met De Run 4500) aangegeven als fietsroute en als recreatieve fietsroute. Op de kaart met het toekomstige fietsnetwerk is De Run 4200 onderdeel van een nieuwe belangrijke fietsverbinding, die aansluit op de Ulenpas en in noordelijke richting wordt doorgetrokken parallel aan de A2/N2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0017.png"

Figuur 3.3: Kaart met toekomstig fietsnetwerk Veldhoven met in blauw (nieuwe) belangrijke fietsverbindingen

Het GVVP richt zich op het realiseren van ontbrekende schakels in het fietsnetwerk. Directheid en comfort zijn belangrijk voor fietsers. Bij het ontwerpen van de openbare ruimte moet daar rekening mee worden gehouden. Fietsers willen zo min mogelijk afremmen, stoppen en oversteken. Op een aantal locaties zijn oversteken nu niet voldoende fietsvriendelijk ontworpen. Eén van de locaties die als aandachtspunt geldt, is de kruising Onze Lieve Vrouwedijk - De Run. In de regionale Bereikbaarheidsagenda is de fietsstructuur van en naar ASML en het Maxima Medisch Centrum als aandachtspunt opgenomen. De fietsstructuur wordt daarom getoetst op verbetermogelijkheden. Een grote stap is inmiddels gemaakt door de aanleg van een tweerichtingenfietspad tussen de Run 6100 en De Run 5300.

Snelfietsroutes

Het wegennet van Veldhoven heeft een behoorlijk fijnmazig netwerk voor fietsers. Veldhoven is vrij compact gebouwd en de ruimte is beperkt. Toch worden kansen gezien voor (snel)fietsroutes. In de Bereikbaarheidsagenda is de route De Run - HTCE - Geldrop opgenomen. Verder zijn er kansen in westelijke richting, naar de Kempen.

Relatie met het bestemmingsplan

De Run 4200 is zowel in het bestaande als in het toekomstige fietsnetwerk aangeduid als een belangrijke fietsroute in Veldhoven. Met de herinrichting van De Run 4200 en de aanleg van een snelfietsroute wordt de aantrekkelijkheid voor fietsers verder vergroot, zeker als ook het fietspad parallel aan de A2/N2 (onderdeel van het project Kempenbaan-Oost) wordt aangelegd. De aanleg van een (snel)fietsroute in De Run 4200 past dan ook naadloos binnen het gemeentelijk verkeersbeleid zoals vastgelegd in het GVVP.

In het GVVP is aangegeven dat wordt gestreefd naar het ontvlechten van fietsverkeer, vrachtverkeer en autoverkeer. In dat licht zou een (snel)fietsroute die niet over De Run loopt de voorkeur kunnen hebben. Uit alternatievenonderzoek (zie paragraaf 2.1) is echter gebleken dat de route De Run 4200 - Ulenpas - HTCE de voorkeur heeft. Als een andere route wordt gekozen, bijvoorbeeld langs de zuidzijde van de bedrijfspercelen op De Run 4300, is het gevolg dat veel fietsers gebruik zullen blijven maken van de huidige fietspaden op De Run 4200. Realiseren van een fietsverbinding in De Run 4200 heeft daarom de voorkeur. Door de aanleg van de fietsverbinding aan te grijpen om de volledige weg te herprofileren, ontstaat bovendien de mogelijkheid voor een verkeersveilige totaaloplossing.

3.4.4 Groenbeleidsplan

In het groenbeleidsplan is de inhoudelijke strategie voor groen binnen de gemeente uitgezet. Allereerst is dit gedaan door de belangrijke groenstructuren aan te wijzen zodat deze behouden blijven en duurzaam verder ontwikkeld worden. Daarnaast is aan de hand van verschillende beleidsthema's de inhoudelijke koers voor het groen bepaald. In het groenbeleidsplan is de groenstructuur van de gemeente omschreven. Ook voor bedrijventerrein De Run is een omschrijving opgenomen van de huidige en gewenste groenstructuur.

Wat betreft de huidige groenstructuur op De Run is het volgende opgenomen.

Vlakken:

  • De zone waar Kempenbaan en Gender elkaar raken is een groene vinger.

Lijnen:

  • Langs de doorgaande wegen bestaat de groenstructuur uit brede grasbermen met bomen.
  • Enkele historische wegen lopen door het bedrijventerrein. Deze zijn te herkennen aan de oude boomstructuren. De Run 4200 is één van deze historische wegen: een oude ontginningsweg die bij de aanleg van De Run behouden is gebleven en onderdeel is gaan uitmaken van de wegenstructuur op het bedrijventerrein.
  • De overige wegen zijn nauwelijks voorzien van groen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0018.png"

Figuur 3.4: Gewenste groenstructuur De Run, met De Run 4200 als groene weg binnen het bedrijventerrein

Gewenste groenstructuur

Het industrieterrein kenmerkt zich door een sterk functioneel karakter. De groenstructuur is hier ondergeschikt aan het optimaal benutten van de ruimte. Toch is een ruime groene doorgangsweg een welkome afwisseling in dit stenige gebied. Belangrijk is daarom dat de doorgaande wegen krachtige boomstructuren krijgen. Deze wegen worden voorzien van een duidelijke doorgaande boomstructuur, zodat de herkenbaarheid tussen ontsluitingswegen en kleinere wegen meer aanwezig is. Langs de historische wegen worden de oude boomstructuren zoveel mogelijk gehandhaafd en versterkt. Door de inrichting van deze oude verbindingswegen ook door te zetten aan de andere kant van de A67 wordt de harde grens die deze snelweg vormt verzacht. De Kempenbaan is een weg die een brede opzet heeft. De inrichting hiervan wordt in samenhang met de ontwikkeling van de Gender gedaan, waardoor deze weg naast een ecologische functie ook een recreatieve functie als parkzone krijgt.

Relatie met het bestemmingsplan

Om te kunnen voorzien in een verkeersveilig profiel in De Run 4200 met daarin een tweerichtingen-fietspad wordt de rijbaan in noordelijke richting verschoven. Om de herinrichting mogelijk te maken, moet de bestaande laanbeplanting van eiken worden verwijderd. In het wegontwerp is echter veel ruimte voor groen en bomen. Er is sprake van brede bermen, en aan weerszijden van de weg wordt een nieuwe bomenlaan aangeplant zodat het groene karakter van de weg behouden blijft. Daarnaast is veel ruimte voor groene bermen, met wadi's en een afwisselende beplanting van vaste planten, siergrassen, hagen en heesters. De weg blijft daarmee zijn groene uitstraling behouden. Door de aanleg van een wandelpad in de brede noordelijke berm wordt de recreatieve functie van de weg versterkt. Daarmee past de herinrichting binnen het Groenbeleidsplan.

3.4.5 Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorzieningen

De drie Brabantse Veiligheidsregio's (Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, Veiligheidsregio Brabant-Noord en Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost) hebben in 2016 uniforme beleidsregels vastgesteld ten aanzien van bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen. Het doel van de beleidsregels is een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening te waarborgen, zodat de Veiligheidsregio's in staat zijn adequate brandweerzorg te leveren.

De beleidsregels bieden oplossingsrichtingen waarmee invulling kan worden gegeven aan de doelvoorschriften die de Veiligheidsregio's hebben gesteld. Indien wordt voldaan aan de beleidsregels, kan er vanuit worden gegaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening wordt gerealiseerd. In de beleidsregels zijn onder andere regels opgenomen met betrekking tot de inrichting van wegen en de bereikbaarheid van gebieden die niet via de openbare weg worden ontsloten. Daarnaast is aangegeven aan welke eisen een bluswatervoorziening dient te voldoen om de brandweer in staat te stellen een brand effectief te bestrijden. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan deze beleidsregels.

Relatie met het bestemmingsplan

De beleidsregels Bereikbaarheid en bluswatervoorziening worden als afzonderlijk toetsingskader gehanteerd om nieuwe ontwikkelingen te beoordelen en behoeven geen doorwerking in de planregels van het bestemmingsplan.

 

Hoofdstuk 4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording

In de toelichting op het bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening worden gehouden met de geldende wet- en regelgeving en met vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Ook komen alle relevante overige ('niet-milieutechnische') planologische aspecten aan bod.

4.1 Bodem

Algemeen

Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Wanneer een ontwikkeling geen bestemmingswijziging tot gevolg heeft, hoeft er geen bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan uitgevoerd te worden; de bodem wordt in dat geval geschikt geacht voor de toegestane functie. Het bodemonderzoek wordt in die gevallen uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Bodemonderzoek

Dit bestemmingsplan is opgesteld om de herinrichting van De Run 4200 mogelijk te maken. In verband met de werkzaamheden die daarvoor moeten worden verricht is bodemonderzoek verricht (Milieukundig (bodem)onderzoek Inprikker Slowlane, De Run Veldhoven, Kragten, 17 december 2019). De onderzoeksrapportage is als Bijlage 5 bij deze toelichting opgenomen.

Het bodemonderzoek heeft bestaan uit de volgende onderzoeken:

  • vooronderzoek naar de milieuhygiënische bodemkwaliteit
  • asfaltonderzoek
  • milieukundig onderzoek funderingsmaterialen
  • verkennend onderzoek asbest
  • verkennend waterbodemonderzoek
  • korrelverdeling zandgrond

Uit het onderzoek blijkt het volgende:

  • Rijbaan en fietspad: In het funderingspakket onder de huidige rijbaan en het huidige fietspad zijn hoogstens lichte verontreinigingen met zware metalen, PAK en minerale olie aangetoond. Er zijn geen gehalten aan PFAS aangetroffen hoger dan de landelijke achtergrondwaarden. De ondergrond onder het funderingspakket van de huidige weg en het huidige fietspad is chemisch niet verontreinigd. In de zandgrond zijn geen gehalten aan PFAS aangetoond hoger dan de landelijke achtergrondwaarden.
  • Bermen/groenvakken: Ter plaatse van de bermen/groenvakken zijn in de bovengrond, met uitzondering van plaatselijk een lichte verontreiniging met PAK, geen verontreinigingen aangetoond. De ondergrond is chemisch niet verontreinigd. In de ondergrond zijn geen gehalten aan PFAS aangetoond hoger dan de landelijke achtergrondwaarden.
  • Grondwater: Het grondwater is licht verontreinigd met barium, chroom, cadmium, nikkel, zink en/of naftaleen.
  • Greppel (waterbodem): In de waterbodem zijn geen chemische verontreinigingen aangetoond en zijn geen gehalten aan PFAS aangetoond hoger dan de landelijke achtergrondwaarden.
  • Asbest: Er is nergens in het onderzoeksgebied asbest aangetroffen in een concentratie die de waarde voor nader onderzoek overschrijdt.

In het plangebied zijn enkele lichte verontreinigingen aangetroffen in het funderingspakket onder de rijbaan, in het grondwater en in de bovengrond ter plaatse van de bermen/groenvakken. De ondergrond is chemisch nergens verontreinigd. Uit oogpunt van milieuhygiënische bodemkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

4.2 Geluid

Algemeen

In de Wet geluidhinder is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijventerreinen een onderzoekszone hebben. Er moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder als sprake is van de realisering van een geluidgevoelig object in de onderzoekszone. Ook als sprake is van de realisering of aanpassing van een geluidsbron (zoals de aanleg of reconstructie van een weg met een snelheidsregime van 50 km/h of meer) is akoestisch onderzoek nodig.

Akoestisch onderzoek

Om de aanleg van een snelfietroute in De Run 4200 mogelijk te maken wordt De Run 4200 heringericht. Er is sprake van fysieke wijzigingen, waaronder de verschuiving van de rijbaan met circa 3,5 meter in noordelijke richting. Er is daarom akoestisch onderzoek verricht om te bepalen of er sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. Het akoestisch onderzoek (Akoestisch onderzoek fysieke wijziging De Run 4200, Antea Group, 15 oktober 2020) is als Bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen.

Er is sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder als het verschil met de heersende geluidbelasting ter plaatse van een geluidgevoelig object 2 dB (afgerond) of meer bedraagt. Verder mag er geen sprake zijn van een overschrijding van de hoogst toelaatbare geluidbelasting. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er voor een aantal woningen toenames van de geluidbelasting zijn. Bij vrijwel alle woningen bedraagt de toename minder dan 2 dB. Alleen voor de (bedrijfs)woning aan De Run 4402 bedraagt de toename maximaal 2 dB. Voor deze woning is er dus sprake van een reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder. De geluidbelasting vanwege De Run 4200 bedraagt voor deze woning 53 dB, waardoor de ten hoogste toegestane geluidbelasting niet wordt overschreden. Gelet op de overschrijding van de grenswaarde dient te worden onderzocht of er maatregelen ter beperking van het geluid mogelijk zijn.

In het akoestisch onderzoek zijn maatregelen aan de bron, in het overdrachtsgebied en bij de ontvanger onderzocht:

  • Vanwege de hoeveelheid kruisingen en inritten, in combinatie met relatief veel zwaar verkeer, is het aanbrengen van geluidredcuerende wegdekverharding om technische redenen niet doelmatig.
  • In het wegontwerp is aan de noordzijde van de rijbaan ruimte voorzien voor een parkzone met wandelpad. Het plaatsen van een geluidscherm in deze zone is stedenbouwkundig/landschappelijk niet wenselijk. Bovendien ligt de woning nabij een kruising van twee wegen. Een geluidscherm (van minimaal 2 meter hoog) zou het zicht op het kruisend verkeer wegnemen, wat uit oogpunt van verkeersveiligheid onwenselijk is.
  • Een akoestisch afschermende erfafscheiding op de perceelsgrens zou buitensporig hoog moeten zijn om ook de verdieping af te kunnen schermen.

Geluidbeperkende maatregelen bieden daarom onvoldoende soelaas. Voor de woning wordt daarom door het college van burgemeester en wethouders een hogere waarde vastgesteld. Vanwege het verlenen van een hogere waarde is een onderzoek gedaan naar geluidcumulatie. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 60 dB. Deze geluidbelasting past bij woningen gelegen op een bedrijventerrein nabij een rijksweg.

4.3 Luchtkwaliteit

Algemeen

Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In dit hoofdstuk zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:

  • a. een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit;
  • b. ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven;
  • c. een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht;
  • d. een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

Niet in betekenende mate

De uitwerking van het begrip 'niet in betekende mate' staat in het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeerverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'.

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)

Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter.

Toetsing bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan is opgesteld om herinrichting van De Run 4200 mogelijk te maken en een tweerichtingen-fietspad te realiseren. De weginrichting wijzigt, maar de weg blijft zijn huidige profiel van twee rijstroken houden. Ten gevolge van de herinrichting is geen sprake van een toename van gemotoriseerd verkeer in het plangebied. Het project heeft daarom geen gevolgen voor de luchtkwaliteit. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16, lid b van de Wet milieubeheer. De luchtkwaliteitseisen leveren daarmee geen belemmering op voor dit bestemmingsplan.

Met de NSL-monitoringstool van de Rijksoverheid kan eenvoudig inzicht worden verkregen in de huidige en toekomstige luchtkwaliteit in en rond het plangebied. Op de kaart van de NSL-monitoringstool zijn rekenpunten opgenomen langs de Kempenbaan, De Run 4500 en in de oksel van de A67 en de A2/N2. Uit de kaart blijkt dat op alle rekenpunten in de omgeving van het plangebied nu en in de toekomst (ruimschoots) wordt voldaan aan de grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5. Er is in het plangebied en de directe omgeving daarvan dan ook geen sprake van een (dreigende) overschrijding van grenswaarden.

4.4 Bedrijven en milieuzonering

Algemeen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient voldoende afstand te worden gehouden tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en bedrijven of andere functies die hinder veroorzaken. Deze milieuzonering is enerzijds nodig vanwege de bescherming van het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object. Anderzijds zorgt voldoende afstand ervoor dat bedrijven of andere hinderveroorzakende functies hun activiteiten binnen redelijke voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor milieuzonering kan de publicatie ''Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) worden gebruikt.

Toetsing bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan maakt geen gevoelige objecten mogelijk en ziet ook niet op de vestiging van bedrijvigheid die hinder kan veroorzaken. Het toepassen van milieuzonering of het beoordelen van bedrijfshinder is daarom niet aan de orde.

4.5 Externe veiligheid

Algemeen

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten is verbonden voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen.

Het veiligheidsbeleid in Nederland is gebaseerd op een tweetal begrippen, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR):

  • Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute of nabij een inrichting verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer, de opslag en/of de handeling van gevaarlijke stoffen. Daarbij is de omvang van het risico een functie van de afstand waarbij geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De risico's worden weergegeven in PR risicocontouren.
  • Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute of een inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde kan gezien worden als een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag wordt gemotiveerd.

Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen.

Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin de Basisnetten voor weg, spoor en water zijn vastgelegd. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Toetsing bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan maakt herinrichting van De Run 4200 en aanleg van een (snel)fietsroute mogelijk. Het bestemmingsplan ziet uitsluitend op de openbare ruimte en maakt geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk. Verkeersdeelnemers (automobilisten, fietsers) worden niet beoordeeld in het kader van externe veiligheidsonderzoek, zodat nader onderzoek naar het plaatsgebonden risico of het groepsrisico niet noodzakelijk is. Een verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde.

De Run 4200 wordt heringericht, maar het karakter van de weg verandert daarbij niet. Uit de risicokaart blijkt dat op het zuidoostelijk deel van De Run één risicovolle inrichting is gevestigd die onder het regime van het Bevi valt. Het betreft Bakx Foods, dat onder het Bevi valt vanwege de aanwezigheid van een ammoniakkoelinstallatie. Gelet op de afwezigheid van risicovolle inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewerkt of overgeslagen, is het vervoer van gevaarlijke stoffen over De Run 4200 zeer beperkt. Risicovolle inrichtingen in de omgeving van het plangebied, waaronder de lpg-tankstations aan de Kempenbaan, worden niet via De Run 4200 bevoorraad. Het aspect externe veiligheid vormt ook uit dit oogpunt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.6 Geur

Algemeen

De Wet geurhinder en veehouderij is een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder ten opzichte van de tot de veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld zijn. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van de geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening.

Toetsing bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan maakt geen geurgevoelige objecten mogelijk. Onderzoek naar geurhinder is daarom niet noodzakelijk.

4.7 Archeologie en cultuurhistorie

4.7.1 Archeologie

Algemeen

De omgang met het archeologisch erfgoed is geregeld in de Erfgoedwet (2016). Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische resten, indien een bestemmingsplan dat voorschrijft. De gemeente Veldhoven heeft vanuit haar archeologiebeleid voorwaarden opgesteld ten aanzien van de omgang met het archeologisch erfgoed. Deze worden in bestemmingsplannen weergegeven als een dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' met daaraan gekoppelde ondergrenzen voor de onderzoeksplicht.

De gemeente Veldhoven beschikt over een Archeologische beleidsadvieskaart (10 maart 2014). Daarin is onderscheid gemaakt in 7 categorieën:

  • categorie 1: Rijksmonumenten
  • categorie 2: gebied van zeer hoge archeologische waarde
  • categorie 3: gebied met een hoge archeologische waarde
  • categorie 4: gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde
  • categorie 5: gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde
  • categorie 6: gebied van lage archeologische verwachtingswaarde (geen onderzoeksplicht)
  • categorie 7: gebieden zonder archeologische verwachting of archeologisch vrijgegeven (geen onderzoeksplicht)

Toetsing bestemmingsplan

Het plangebied ligt blijkens de Archeologische beleidsadvieskaart volledig in categorie 7. In deze gebieden geldt geen onderzoeksplicht. Het verrichten van archeologisch onderzoek of het opnemen van een beschermende regeling in het bestemmingsplan is daarom niet noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0019.png"

Figuur 4.1: Uitsnede Archeologische beleidsadvieskaart

4.7.2 Cultuurhistorie

Nationaal staat het cultuurhistorisch beleid in het teken van het behoud en het beheer van de cultuurhistorische waarden. Op gelijke voet staat het streven naar het gebruik van het cultuurhistorisch erfgoed als inspiratiebron voor de ruimtelijke inrichting. Dit beleid geldt voor alle cultuurhistorische waarden, dat wil zeggen voor zowel archeologische als voor historisch-geografische en historisch bouwkundige waarden.

Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied. Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW 2010, herziening 2016) is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.

Toetsing bestemmingsplan

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0020.png"

Figuur 4.2: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart gemeente Veldhoven

Op de Cultuurhistorische Waardenkaart is De Run 4200, net als het zuidelijk deel van De Run 4500/Onze Lieve Vrouwedijk, aangeduid als historische weg. De Run 4200 is een deel van de voormalige Ontginningsweg, die hier in de eerste helft van de 20e eeuw is aangelegd om agrarisch gebruik van de gronden tussen het beekdal van de Gender in het noorden en het beekdal van de Dommel in het zuiden mogelijk te maken. De weg sloot in het westen aan op de historische route van Meerveldhoven naar Waalre, waar de huidige Onze Lieve Vrouwedijk onderdeel van was.

In de huidige situatie herinnert de laanbeplanting van eikenbomen nog aan de historie van de weg. De weginrichting (een rijbaan met aan weerszijden een vrijliggend fietspad) is inmiddels afgestemd op de ligging op een bedrijventerrein en de weg wordt aan weerszijden begeleid door bedrijfsbebouwing, waardoor de relatie van de weg met de omringende agrarische gronden verloren is gegaan. Door de doorsnijding door de A2/N2 is ook de relatie met het Eindhovense deel van de Ontginningsweg verloren gegaan. Hoewel De Run 4200 nog het historische tracé van de Ontginningsweg volgt, is de cultuurhistorische waarde in de praktijk beperkt en nauwelijks ervaarbaar.

Met de herinrichting blijft de weg het tracé van de Ontginningsweg volgen. De bestaande laanbeplanting wordt verwijderd, maar hiervoor in de plaats komt nieuwe laanbeplanting terug. De aantasting van de cultuurhistorische waarde van de weg is daarmee beperkt en is aanvaardbaar, gelet op het grote belang van de realisering van een (snel)fietsroute voor de bereikbaarheid van De Run en de aansluiting van Veldhoven-Zuid op de Slowlane.

4.8 Water

Doel van de waterparagraaf is het aspect water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt beschreven hoe bij de ontwikkeling wordt omgegaan met het aspect water. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan het criterium 'hydrologisch neutraal ontwikkelen' conform landelijk en lokaal waterbeleid.

4.8.1 Waterrelevant beleid en regelgeving provincie en waterschap

Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021

Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan een Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het PMWP zet de koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Het PMWP staat voor:

  • voldoende water voor mens, plant en dier;
  • schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht);
  • bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico's;
  • verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.

Waterbeheerplan 2016-2021 Waterschap De Dommel 'Waardevol Water'

Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu- en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.

Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's:

  • Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen);
  • Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater;
  • Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen;
  • Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.

Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In het waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met alle partners in het gebied wil uitbreiden en 'grenzeloos' wil organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.

Wat zijn de belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode?

  • Voldoende water voor landbouw en natuur
  • Wateroverlast en hittestress;
  • Kringloop denken;
  • Steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen;
  • Vergroten waterbewustzijn.

Het waterschap werkt samen met zijn partners onder andere aan de aanleg van waterbergingsgebieden, om ervoor te zorgen dat de steden in het beheersgebied droge voeten houden. Er wordt op dit moment, samen met de gemeenten Veldhoven, Bergeijk en Eersel, gewerkt aan het realiseren van een gestuurd waterbergingsgebied bij de Run, bij natte natuuparel Grootgoor, enkele kilometers bovenstrooms van het stedelijk gebied van Veldhoven en Eindhoven. Het doel van het traject 'Waterberging de Run' is om het stedelijk gebied in de regio Eindhoven te beschermen tegen hoogwater.

Keur Waterschap de Dommel 2015

De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening.

De keur van het waterschap is van toepassing wanneer direct en indirect wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. De Keur is ook van toepassing als het oppervlaktewater niet in eigendom en beheer is van het waterschap.

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², van 2.000 m² tot 10.000 m² en van meer dan 10.000 m².

4.8.2 Beleid en ambitie gemeente

Verbreed Gemeentelijk rioleringsplan 2015 - 2019 gemeente Veldhoven

Het waterbeleid van de gemeente Veldhoven is vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan. De term 'verbreed' houdt verband met de wettelijke uitbreiding van de zorgplicht voor de riolering. Volgens de wetgeving heeft de gemeente Veldhoven drie zorgplichten op het gebied van stedelijk waterbeheer:

  • zorgplicht stedelijk afvalwater;
  • zorgplicht hemelwater;
  • zorgplicht grondwater.

Dit komt er op neer dat de gemeente vanuit het oogpunt van volksgezondheid en veiligheid zorg draagt voor een deugdelijke inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen.

Ambitie gemeente afvoer van hemelwater

Als het regent in de gemeente Veldhoven verdwijnt het meeste hemelwater in de riolering. Door verandering van het klimaat wordt het bestaande rioolstelsel steeds zwaarder op de proef gesteld. Buien worden heviger en duren langer. Hierdoor neemt het risico op (grond)wateroverlast toe. Om droge voeten te houden wordt ruimte gecreëerd in het groen en/of in de vorm van oppervlaktewater. Hierbij wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: infiltreren (vasthouden) waar mogelijk, bufferen op locaties met voldoende beschikbare ruimte en als het niet anders kan, dan pas afvoeren. In openbaar gebied komt dit tot uiting door hemelwatervoorzieningen in groenstroken die geschikt zijn gemaakt voor de opvang van overtollig hemelwater en aanpassing van waterpartijen. De eigenaar draagt een steentje bij door op eigen terrein voorzieningen te treffen voor buffering en/of opslag van hemelwater en/of opvang van overtollig grondwater. De gemeente ziet hierbij toe op een doelmatige invulling van de hemelwateropgave.

Hydrologisch neutraal bouwen

Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem. Voor ontwikkelingen die dit negatief kunnen beïnvloeden, wordt daarom uitgegaan van de trits 'vasthouden-bergen-afvoeren'. Dat wil zeggen dat water zoveel mogelijk in een gebied wordt vastgehouden door infiltratie en waar dit niet mogelijk is water tijdelijk wordt geborgen (retentie). Door water lokaal te infiltreren of te bergen in een voorziening wordt het versneld afvoeren van overtollig hemelwater naar het bestaande oppervlaktewatersysteem zoveel mogelijk voorkomen. Bij zeer grote neerslaghoeveelheden zal de genoemde voorziening het aangeboden water echter onvoldoende kunnen verwerken. Een noodoverloopconstructie kan er dan voor zorgen dat het overtollige water gecontroleerd naar een plek wordt afgevoerd waar het geen overlast kan veroorzaken.

Uitgangspunten hemelwaterafvoer bij herontwikkeling en nieuwbouw

Bij herontwikkeling en nieuwbouw binnen de gemeente Veldhoven wordt uitgegaan van het HNO-principe (Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen): het hemelwater wordt ter plaatse de bodem in geleid via hemelwaterverwerkende voorzieningen zoals infiltratiekolken, bermen, wadi's en vijverpartijen. Bij nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen wordt de eigenaar gestimuleerd om het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Waar mogelijk worden voorzieningen gecombineerd met benodigde maatregelen in omringende wijken. Indien de lokale omstandigheden de verwerking van hemelwater in de bodem niet toelaten, wordt het afgevoerd naar het dichtstbijzijnde oppervlaktewater, conform de richtlijnen van het hydrologisch neutraal ontwikkelen.

Wanneer wordt aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel van de gemeente Veldhoven zijn de volgende regels van toepassing:

  • Vuilwater en schoon hemelwater worden gescheiden aangeboden op de perceelgrens;
  • De gemeente hanteert voor de toename van het verhard oppervlak van 250 m2 tot 2000 m2 een compensatie van 42 mm/m2 berging binnen het te ontwikkelen plangebied. Boven de 2000 m2 gelden de regels van de Keur van Waterschap de Dommel;
  • Voorkeur voor een bovengrondse berging;
  • Leegloop van de bergingsvoorziening (infiltratie, geknepen afvoer en dergelijke) dient per locatie te worden aangegeven. Bij infiltratie dient te worden aangetoond dat infiltratie mogelijk is;
  • Wanneer wordt afgevoerd naar het gemengde stelsel dient een terugslag te worden toegepast zodat vuilwater niet de voorziening in kan stromen.
  • Bij het indienen van de omgevingsvergunningaanvraag dient een gedetailleerd ontwerp te worden ingediend van de bergingsvoorziening en de leegloopconstructie.
4.8.3 Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie

Huidige situatie

In de huidige situatie is het plangebied voor een groot deel verhard. Het wegprofiel bestaat uit een rijbaan met aan twee zijden daarvan een vrijliggend fietspad. Tussen de rijbaan en de fietspaden liggen smalle bermen waarin bomen staan. Ook tussen de fietspaden en de bedrijfspercelen liggen groene bermen. In het noordoostelijk deel van het plangebied is meer groen aanwezig op de gronden tussen De Run 4200 en de A2/N2. Het hemelwater afkomstig van rijbaan en fietspaden stroomt in de huidige situatief af op de groene bermen en infiltreert ter plaatse. In de bocht van De Run 4200 ligt de groene berm verhoogd ten opzichte van de rijbaan en wordt het water via straatkolken afgevoerd naar het rioolsysteem. Ook ter plaatse van lokale verhogingen (bijvoorbeeld bij de bushaltes) wordt water via straatkolken afgevoerd.

Maaiveldhoogte

Het maaiveld in het plangebied kent weinig verloop en ligt op een hoogte van 19 à 19,5 m+NAP (Algemene Hoogtekaart Nederland). Het deel van bedrijventerrein De Run rond het plangebied ligt op vergelijkbare hoogte. Het beekdal van De Dommel (zuidelijk van de A67 en oostelijk van de A2/N2) ligt lager, net als het beekdal van de Gender ten noorden van het plangebied.

Oppervlaktewater

De projectlocatie ligt binnen het beheersgebied van Waterschap De Dommel. Op de legger van het waterschap zijn de watergangen in de omgeving van het plangebied weergegeven. Aan de oostzijde van het plangebied ligt de A-watergang GE12, die ten noorden van het plangebied uitmondt in de Gender. Deze watergang ligt net buiten het plangebied en kruist de Ulenpas met een duiker. Langs het oostelijk deel van De Run 4200 ligt een B-watergang.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0021.png"

Figuur 4.3: Uitsnede legger Waterschap De Dommel, in blauw de A-watergangen, in paars de B-watergangen

Grondwaterstanden

Via het Dinoloket en de gemeente Veldhoven zijn grondwaterstanden beschikbaar. Peilbuis B51D0438, die centraal in het projectgebied ligt, heeft een langjarige reeks die geschikte is voor het bepalen van de maatgevende grondwaterstand. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) is 17,8 m+NAP, de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) is 17,1 m+NAP. De GHG ligt tussen 1,6 en 1,2 m-mv.

Bodemgesteldheid

De ondergrond bestaat uit een afwisseling van zand- en kleilagen. Uit het bodemonderzoek (zie paragraaf 4.1) is gebleken dat de bodem tot een diepte van 4,5 m-mv overwegend uit zeer fijn tot matig fijn zand bestaat. Ter plaatse van enkele boringen is klei of een kleiige veenlaag aangetroffen.

Checklist Watersysteem

Voor het plangebied is onderstaande checklist watersysteem ingevuld.

Checklist Watersysteem  
Hoofdwatergang cq open water   Ja, kruising (duiker) van A-watergang GE12 onder de Ulenpas, watergang ligt verder buiten plangebied  
Zijwatergang   Ja, B-watergang oostelijk deel De Run 4200, noordelijk van rijbaan  
Keurgebied binnen plangebied?   Nee  
Binnen 25-100 jaarszone?   Nee  
Binnen boringsvrije zone?   Ja  
Ecologische verbindingszone?   Nee  
Binnen reserveringsgebied waterberging 2050?   Nee  
Attentiegebied EHS   Nee  
Rioolwatertransportleiding   Nee  
Waterschap gemaal   Nee  
Verdachte/verontreinigde locaties?   Nee  
Infiltratie praktisch mogelijk?   Ja, gelet op ligging GHG (tussen 1,6 en 1,2 m-mv) en overwegend zandige ondergrond  
Uitwerkingsplicht / wijzigingsbevoegdheid   Nee  

Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie wordt het wegprofiel van De Run 4200 gewijzigd. Er wordt een tweerichtingen-fietspad aangelegd en de rijbaan wordt in noordelijke richting verschoven. De rijbaan wordt in de nieuwe situatie even breed als in de huidige situatie (6,8 meter) en het fietspad krijgt een breedte van 4,5 meter. Tussen de rijbaan en het fietspad wordt een groene berm van 5,0 meter breed aangelegd. Tussen het fietspad en de bedrijfspercelen ligt een groene berm van 3,0 meter breed. Aan de noordzijde van het wegprofiel is sprake van een groene berm met een variërende breedte waarin een wandelpad ligt. De groene bermen worden doorsneden door uitritten van bedrijfspercelen.

Ten opzichte van de bestaande situatie blijft de hoeveelheid verharding in het plangebied ongeveer gelijk. In de groene berm tussen de rijbaan en het fietspad worden wadi's/greppels aangelegd. In de parkzone aan de noordzijde van het wegprofiel is ruimte voor meer wadi's. De wadi's/greppels liggen lager dan de rijbaan en het fietspad, zodat het water afkomstig van de verharding naar de wadi's afstroomt.

Benodigde capaciteit waterberging

De Run 4200 wordt over een afstand van circa 650 meter heringericht, van de aansluiting bij de Ulenpas in het oosten tot aan het kruisingsvlak met De Run 4500 in het westen. De verharding in het wegprofiel bestaat uit een fietspad van 4,5 meter breed, een rijbaan van 6,8 meter breed en een voetpad van 1,6 meter breed. De verharding in het wegprofiel bedraagt daarmee circa 8.400 m2. Rekening houden met extra verharding ter plaatse van de uitritten van bedrijfspercelen en ter plaatse van de kruisingsvlakken met De Run 4300 en De Run 4400 is sprake van een totale verharding van circa 10.000 m2.

De benodigde compensatie kan worden berekend door het verhard oppervlak te vermenigvuldigen met een waterschijf van 60 mm (0,06 meter), die overeenkomt met een maatgevende bui die eens in de 100 jaar voorkomt (T=100). De bergingsopgave binnen het plangebied bedraagt 10.000 x 0,06 = 600 m3. Bij de verdere uitwerking van het wegontwerp wordt bepaald waar de wadi's/greppels exact worden gerealiseerd. Gelet op beschikbare ruimte is het uitgangspunt dat het water afkomstig van de verharding volledig binnen het plangebied wordt geborgen en geïnfiltreerd.

4.9 Flora en fauna

Algemeen

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet heeft drie wetten vervangen: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en rond het plangebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.

Quickscan Wet natuurbescherming

In het plangebied is een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming verricht (Notitie Run 4200 te Veldhoven, Quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming, Ecologica, 4 oktober 2018). De onderzoeksnotitie is als Bijlage 7 bij de toelichting opgenomen.

De quickscan heeft bestaan uit een veldbezoek en raadpleging van de Nationale Databank Flora en Fauna. Uit de quickscan blijkt het volgende:

  • Grondgebonden zoogdieren: Het onderzoeksgebied is alleen geschikt voor enkele niet-kritische grondgebonden zoogdieren zoals muizen, waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming geldt. Streng beschermde grondgebonden soorten zijn in het plangebied en de directe omgeving niet te verwachten. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag zijn niet nodig.
  • Vleermuizen: de bomen in het plangebied zijn te klein of goed onderhouden en lijken geen voor vleermuizen geschikte holtes en scheuren te bevatten. De aanwezigheid van verblijfplaatsen kan met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden uitgesloten. Er is door het rooien van de bomen geen sprake van verlies van essentieel foerageergebied. Wel is aanvullend onderzoek nodig omdat de bomen mogelijk fungeren als vliegroute voor vleermuizen.
  • Vogels: binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Deze worden ook niet verwacht. Het rooien van bomen dient buiten de broedperiode plaats te vinden. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag zijn niet nodig.
  • Planten, reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelden: het plangebied en de omgeving zijn niet geschikt voor beschermde planten, reptielen, amfibieën, vissen en ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag zijn niet nodig.

In de quickscan is geconcludeerd dat aanvullend onderzoek nodig is naar het gebruik van de bomen als vliegroute voor vleermuizen. Voor het overige is geen sprake van belemmeringen op het gebied van soortbescherming.

Aanvullend onderzoek vleermuizen

Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan Wet natuurbescherming is nader onderzoek verricht naar vleermuizen (Notitie vleermuisonderzoek De Run 4200 te Veldhoven, Aanvullend onderzoek aanwezigheid vleermuizen, Ecologica, 3 september 2019). De onderzoeksnotitie is als Bijlage 8 bij de toelichting opgenomen.

In het aanvullend onderzoek zijn de bomen aanvullend onderzocht op verblijfplaatsen en is onderzoek gedaan naar de functie van de bomen als vliegroute. Uit het onderzoek is gebleken dat de bomen niet geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Tijdens de veldbezoeken is één vleermuissoort waargenomen, namelijk de gewone dwergvleermuis. Vermoedelijk heeft één mannetje een verblijfplaats in één van de woningen in de directe omgeving van de foerageerplaats. Er zijn geen vliegroutes vastgesteld en ook geen foerageergebieden die essentieel zijn voor het functioneren van een verblijfplaats. Geconcludeerd is dat het kappen van de eiken geen negatieve effecten heeft op essentiële vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen.

Zorgplicht

Voor alle soorten geldt de algemene zorgplicht van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming. Deze zorgplicht houdt kort gezegd in dat een ieder die weet dat zijn handelen of nalaten negatieve gevolgen zal hebben voor flora en fauna, verplicht is dit handelen achterwege te laten of maatregelen te nemen die de negatieve gevolgen kunnen voorkomen, beperken of ongedaan maken. Als tijdens de werkzaamheden beschermde soorten worden aangetroffen, moeten dusdanige maatregelen worden genomen dat de schade aan deze soorten zo veel mogelijk wordt beperkt.

Gebiedsbescherming

Natuurnetwerk Nederland

Voor wat betreft het Natuur Netwerk Nederland (NNN) is bij directe/indirecte aantasting sprake van vervolgstappen, waaronder compensatie. Er ligt geen NNN binnen het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied. Het dichtstbijzijnde NNN ligt ten zuiden van de A67 en ten oosten van de A2/N2. Deze gebieden worden van het plangebied gescheiden door de tussengelegen bedrijfspercelen en de snelwegen. Gelet hierop is geen sprake van directe of indirecte aantasting van het NNN. Het NNN-beleid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

Houtopstanden

Voor bomen binnen de 'bebouwde kom houtopstanden' is de gemeentelijke APV aan de orde. Voor bomen buiten de 'bebouwde kom houtopstanden' is de provincie Noord-Brabant het bevoegd gezag. De gemeente Veldhoven staat het kappen van bomen toe zonder kapvergunning. Echter, dit geldt niet voor bomen 'buiten de bebouwde kom houtopstanden' en monumentale bomen. Indien nodig wordt voor de te kappen bomen een kapvergunning aangevraagd. De bomen worden na afloop van de werkzaamheden gecompenseerd door de aanplant van nieuwe bomen in het straatprofiel.

Natura 2000

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux, op circa 800 meter ten zuidwesten van het plangebied. Gelet op de aard van de ontwikkeling (herinrichting van een bestaande weg en aanleg van een (snel)fietsroute), in combinatie met de ruime afstand tot het Natura 2000-gebied en de tussengelegen bebouwde gebieden en A67, zijn effecten vanwege bijvoorbeeld versnippering, verstoring of verdroging uitgesloten.

Omdat geen sprake is van de aanleg van nieuwe wegen maar slechts een fietsroute wordt toegevoegd, is in de gebruiksfase ook geen sprake van een mogelijk effect vanwege een toename van stikstofdepositie. Gedurende de realisatiefase kan mogelijk wel extra stikstof worden uitgestoten. Stikstof kan op grotere afstand neerslaan en kan leiden tot vermesting en verzuring van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten. Stikstofonderzoek naar de realisatiefase is daarom noodzakelijk. Voor het overige zijn negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten.

Onderzoek stikstofdepositie

Om de stikstofdepositie tijdens de realisatiefase in beeld te brengen is een onderzoek uitgevoerd (Uitgangspunten en resultaten Aerius-berekening Slowlane Veldhoven, Antea Group, 15 januari 2021). De onderzoeksrapportage is als Bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen.

In het onderzoek zijn de effecten vanwege de inzet van mobiele werktuigen en vanwege het verkeer behorende bij de bouw- en aanlegactiviteiten berekend. De effecten doen zich voor tijdens de realisatiefase, die maximaal één jaar duurt. Uit de berekeningen blijkt een rekenresultaat van 0,02 mol/ha/jaar op ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’ en 0,01 mol/ha/jaar op ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ en ‘Kempenland-West’. In de gebruiksfase van het fietspad vindt geen stikstofemissie plaats.

Voor de voorgenomen ontwikkeling toont AERIUS Calculator voor de realisatiefase een rekenresultaat hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. In een ecologische voortoets kan worden onderzocht of deze kleine, tijdelijke bijdrages kunnen leiden tot significant negatieve effecten.

Ecologische voortoets

Omdat uit het onderzoek naar stikstofdepositie blijkt dat gedurende de realisatiefase (maximaal één jaar) sprake is van een beperkte toename van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden 'Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux', 'Strabrechtse Heide en Beuven' en 'Kempenland-West' is een ecologische voortoets uitgevoerd (Ecologische voortoets stikstof Snelfietsroute te Veldhoven, Antea Group, 22 januari 2021). De onderzoeksrapportage is als Bijlage 10 bij deze toelichting opgenomen. De voortoets heeft uitsluitend betrekking op effecten vanwege stikstofdepositie. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden en de aard en omvang van het plan zijn andere effecten op Natura 2000-gebieden uit te sluiten.

In de ecologische voortoets is onderzocht of de stikstoftoename ten gevolge van het plan significante gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebieden. In de voortoets zijn de relevante natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden afgebakend, is in beeld gebracht voor welke stikstofgevoelige habitattypen, habitatsoorten en vogelsoorten deze gebieden zijn aangewezen en op welke stikstofgevoelige habittattypen, habitatsoorten en vogelsoorten sprake is van een planbijdrage. Vervolgens is de planbijdrage getoetst aan de 'Beleidslijn voor zeer geringe en tijdelijke stikstofdeposities'. Het planvoornemen voldoet aan de voorwaarden van de beleidslijn: er is sprake van een kleine depositie (< 0,05 mol/ha/jaar) die uitsluitend optreedt tijdens de aanlegfase (< 2 jaar). Daarnaast is geen sprake van een verkeersaantrekkende werking en zijn overige effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. In een dergelijke situatie is er geen Wnb-vergunning noodzakelijk om het project te kunnen realiseren.

Op basis van de beleidslijn zijn significante gevolgen vanwege stikstofdepositie tijdens de aanlegfase op voorhand uitgesloten. De (beperkte) tijdelijke toename van stikstofdepositie is onderdeel van de - in verhouding tot de achtergronddepositie - minieme 'deken' van stikstofdepositie die ontstaat door het verspreide gebruik van mobiel materiaal in Nederland. De inzet van dit materieel betreft in feite telkens een verschuiving van bestaande bronnen naar nieuwe locaties. Het inzetten van dit materieel op een nieuwe locatie in Nederland kan op zichzelf tot een minieme lokale tijdelijke depositieverhoging leiden. Een dergelijke beperkte tijdelijke toename – zoals in het onderhavige project 0,02 mol/ha/jaar gedurende één jaar – kan echter nooit van invloed zijn op de omvang en ruimtelijke verdeling van depositiedeken als gevolg van de jaarlijkse inzet van al het zich in Nederland bevindende materieel. Het kan daarmee geen negatieve gevolgen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitats van de Natura 2000-gebieden ‘Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux’, ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ en ‘Kempenland-West’. Gelet hierop zijn negatieve gevolgen vanwege stikstofdepositie tijdens de aanlegfase van de snelfietsroute op voorhand uitgesloten en is de zekerheid verkregen dat de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet worden aangetast.

4.10 Kabels en leidingen

In het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen, zoals hogedruk aardgasleidingen, brandstofleidingen of grote rioolwatertransportleidingen. Bij de werkzaamheden dient wel een aantal kabels en leidingen te worden verlegd. Er is een KLIC-melding verricht om de aanwezigheid van de verschillende kabels en leidingen in beeld te brengen. Door middel van het graven van enkele proefsleuven is de ligging van de leidingen in het veld gecontroleerd. De aanwezige leidingen kunnen, voor zover nodig, bij de werkzaamheden worden verlegd en vormen dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Milieueffectrapportage

Algemeen

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor een milieueffectrapportage (m.e.r.) of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht:

  • In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is.
  • In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd.

Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of D-lijst en de drempelwaarde uit kolom 2 wordt overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r. moet worden uitgevoerd. De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor de toets gelden echter geen vormvereisten, daarom wordt de term 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' gehanteerd.

Toetsing bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan maakt de aanleg van een (snel)fietsroute en de herinrichting van een weg met 2 rijstroken mogelijk. De aanleg van een fietspad komt niet voor op de C- of D-lijst van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. De lijsten kennen wel een categorie voor de uitbreiding van wegen (categorie C1.3 en categorie D1.2), maar die categorieën zien uitsluitend op de wijziging of uitbreiding van wegen bestaande uit vier of meer rijstroken, of op de verlegging of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken. Het project dat in dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, valt niet onder een categorie die is opgenomen in de C- of D-lijst, zodat het opstellen van een m.e.r. of een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is.

4.12 Duurzaamheid

Om te zorgen dat het wegontwerp goed aansluit op de duurzaamheidsambities van de gemeente Veldhoven is in een aantal ontwerpsessies gewerkt met de aanpak Duurzaam GWW. Dit is een praktische werkwijze om kansen voor duurzaamheid in projecten te signaleren, te benutten en focus te houden op de project- en organisatieambities. Het uitgangspunt van de aanpak is dat wordt gefocust op duurzaamheidsthema’s waar de meeste duurzaamheidswinst te behalen is, zonder dat dit negatieve impact heeft op andere duurzaamheidsthema’s.

In een ambitieweb zijn de 12 duurzaamheidsthema's visueel weergegeven, met het daaraan gekoppelde ambitieniveau van de gemeente.


afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00140-0401_0022.png"

Figuur 4.4: ambitieweb voor project (snel)fietsroute De Run 4200

Uit het ambitieweb zijn vier onderwerpen gefilterd: materialen, water, ecologie en ruimtelijke kwaliteit. Deze vier onderwerpen hebben vervolgens extra aandacht gekregen bij het opstellen van het wegontwerp. In het wegontwerp zijn onder meer de volgende voorgestelde duurzaamheidskansen opgenomen:

  • materialen: meer groen in plaats van een breed trottoir
  • water: afwatering via groenvakken met waterberging in groenzones
  • ecologie: realisatie parkzone op De Run 4200
  • ruimtelijke kwaliteit: rekening houden met toekomstig tweerichtingenfietspad langs A2/N2, parkzone op De Run 4200, stimuleren van wandelen door aanleg voetpaden in het groen

4.13 Zonering Vliegbasis Eindhoven

Op grond van het Luchthavenbesluit Eindhoven ligt rond Vliegbasis Eindhoven (Eindhoven Airport) een beperkingengebied, waar beperkingen gelden voor het oprichten van bebouwing en/of het gebruik van de gronden. Het beperkingengebied bestaat uit zones met bouwhoogtebeperkingen (ten behoeve van de veiligheid van het vliegverkeer en de ongestoorde werking van radarapparatuur), zones waar beperkingen gelden vanwege luchtvaartverkeerslawaai en een zone waar beperkingen gelden voor bestemmingen met een vogelaantrekkende werking. Voor dit bestemmingsplan zijn uitsluitend de zoneringen met betrekking tot de funnel/IHCS en de vogelaantrekkende werking van belang. De overige beperkingengebieden reiken niet tot het plangebied.

Funnel en IHCS

De maximaal toelaatbare bouwhoogtes en de ligging en omvang van de gebieden met een bouwhoogtebeperking worden bepaald door de ligging van de start- en landingsbaan en berusten op internationaal vastgelegde afspraken. Het is voor de vliegveiligheid van belang dat binnen de obstakelvrije vlakken de maximaal toelaatbare hoogtes niet worden overschreden. De obstakelvrije vlakken worden gevormd door de funnel en de Inner Horizontal and Conical Surface (IHCS).

Funnel

De funnel is opgebouwd uit een obstakelvrije rechthoek (strook) rond de start- en landingsbaan met aansluitend twee zijvlakken, waarvan de hoogte oploopt tot 45 m. De toegestane bouwhoogte geldt ten opzichte van de hoogte van de landingsdrempel - in het geval van Vliegbasis Eindhoven 22,4 m+NAP. Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt volledig buiten de funnel.

IHCS

Het obstakelbeheergebied van de IHCS sluit aan op de funnel. De IHCS bestaat uit een horizontaal vlak, dat gelegen is op een hoogte van 65 m + NAP, met aansluitend daarop een conisch vlak, waarvan de hoogte oploopt met een helling van 5% tot een hoogte van 165 m+NAP. Het plangebied ligt binnen het obstakelbeheergebied van de IHCS en valt binnen het oplopende vlak. Voor het plangebied geldt een hoogtebeperking van circa 140 m+NAP. Er mogen geen objecten worden gerealiseerd die de maximaal toegestane hoogte overschrijden.

Het plangebied ligt op een hoogte van 19 à 19,5 m+NAP. Dit betekent dat bebouwing tot een hoogte van 120 meter overal in het plangebied toelaatbaar is. Hoewel dit bestemmingsplan dergelijke hoge bebouwing niet mogelijk maakt, is voor de IHCS een gebiedsaanduiding opgenomen op de verbeelding. Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerzone- IHCS' geldt, in aanvulling op hetgeen elders in de planregels is bepaald, dat de bouwhoogte van bouwwerken niet meer mag bedragen dan 140 m+NAP.

Vogelbeheersgebied

Het plangebied ligt binnen het vogelbeheersgebied van Vliegbasis Eindhoven. Binnen het vogelbeheersgebied geldt op grond van artikel 3.2.3 van het Luchthavenbesluit Eindhoven een verbod voor vogelaantrekkende functies, zoals oppervlaktewateren groter dan drie hectare, vishouderijen met extramurale bassins en extramurale opslag of verwerking van organisch materiaal. Dergelijke functies komen niet voor in het plangebied. In de planregels is een algemene gebruiksregel opgenomen, die het gebruik van gronden voor de genoemde vogelaantrekkende functies uitsluit.

4.14 Radarverstoringsgebieden Woensdrecht, Volkel en Herwijnen

Het plangebied ligt in het radarverstoringsgebied van vliegbasis Woensdrecht, vliegbasis Volkel en van het radarstation Herwijnen. Op grond van artikel 2.6.9 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) gelden in een radarverstoringsgebied bouwhoogtebeperkingen voor bouwwerken die door hun hoogte onaanvaardbare gevolgen kunnen hebben voor de werking van de radar. Conform artikel 2.4 en verder van de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is rond de radarstations een cirkel met een straal van 75 kilometer vastgelegd, gemeten vanaf de positie van de radar. Deze cirkel bestaat uit een kern met een straal van 15 kilometer met een maximale bouwhoogte voor bouwwerken (in het algemeen) en daaromheen een ring die doorloopt tot 75 kilometer van de radar met een maximale bouwhoogte voor (alleen) windturbines.

Het plangebied valt niet binnen de kern van de radarverstoringsgebieden, maar in de daaromheen liggende ring. Binnen het plangebied gelden daarom uitsluitend bouwhoogtebeperkingen voor windmolens. Voor het bouwen van gebouwen en overige bouwwerken gelden geen maximale bouwhoogtes. Omdat dit bestemmingsplan de bouw van windmolens niet mogelijk maakt, hoeft voor het radarverstoringsgebied geen regeling te worden opgenomen.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Kostenverhaal

In de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) is voorgeschreven dat, als een bestemmingsplan een bouwplan als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening mogelijk maakt, tegelijk met het vaststellen van het bestemmingsplan een exploitatieplan moet worden vastgesteld om de door de gemeente gemaakte kosten te verhalen, tenzij:

  • het kostenverhaal anderszins verzekerd is;
  • er geen noodzaak is tot het stellen van locatie-eisen of eisen aan type woningbouw;
  • er geen noodzaak is voor het bepalen van een tijdvak of fasering.


In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening zijn de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Onder een bouwplan wordt onder andere verstaan de bouw van één of meer woningen of ander gebouwen, of bepaalde functiewijzigingen van gebouwen.

De aanleg van een fietspad en de herinrichting van een weg zijn geen bouwplan als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening. Er hoeft dan ook geen exploitatieplan te worden opgesteld.

Financiële uitvoerbaarheid

De realisering van het (snel)fietspad in De Run 4200 en de herinrichting van de weg worden uitgevoerd in opdracht van de gemeente Veldhoven. De gemeenteraad heeft budget beschikbaar gesteld voor de uitvoering van het project. Het bestemmingsplan is daarmee financieel uitvoerbaar.

5.2 Procedure

5.2.1 Vooroverleg

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening overleg plegen met het bestuur van het bij het plan betrokken waterschap. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft laten weten dat wanneer geen nationaal belang gemoeid is, er geen vooroverleg hoeft te worden gevoerd. Er is, zoals bij het beleidskader beschreven, geen nationaal belang gemoeid met dit bestemmingsplan.

De provincie Noord-Brabant beperkt zich tot de vraag hoe het bestemmingsplan zich verhoudt tot de provinciale belangen die op basis van het provinciaal ruimtelijk beleid relevant zijn. De gemeente maakt hiervoor gebruik van het e-formulier. De vragen in het e-formulier en de daarop gegeven antwoorden geven inzicht in de vraag of het ruimtelijk plan mogelijk strijdig is met het provinciaal beleid. Het ingevulde e-formulier over de in het bestemmingsplan betrokken ruimtelijke aspecten geeft de provincie geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Het wettelijk overleg kan dan als afgerond worden beschouwd. Er is geen noodzaak tot aanpassingen.

Het concept-ontwerpbestemmingsplan is op 17 augustus 2020 toegezonden aan Rijkswaterstaat, de gemeente Eindhoven, Waterschap de Dommel, de Gasunie, de Veiligheidsregio Brabant Zuidoost en het Ministerie van Defensie. Geen van de instanties heeft inhoudelijke bezwaren tegen dit bestemmingsplan. Op advies van het waterschap is in de waterparagraaf ter kennisgeving een tekstpassage opgenomen van een ander traject, te weten 'Waterberging de Run'.

5.2.2 Vaststelling

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. De bekendmaking heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2020 via een publicatie in de Staatscourant en het Gemeentenieuws in het Veldhovens Weekblad. Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 23 oktober 2020 tot en met 3 december 2020 ter inzage gelegen in het gemeentehuis en was raadpleegbaar via de gemeentelijke website en op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Tijdens de termijn van terinzagelegging zijn zeven zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in een Notitie van beantwoording zienswijzen, die als Bijlage 11 bij deze toelichting is opgenomen. Naar aanleiding van één van de zienswijzen is de berekening van de stikstofdepositie geactualiseerd en is een ecologische voortoets uitgevoerd. Paragraaf 4.9 van de toelichting is hierop aangepast en de actuele rapportages zijn als bijlage bij de toelichting opgenomen. De zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassing van de verbeelding of de planregels.

Het bestemmingsplan is op 17 maart 2021 vastgesteld door de gemeenteraad.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Plansystematiek

Dit bestemmingsplan heeft een uniek en eigen identificatienummer, namelijk NL.IMRO.0861.BP00140-0401. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en gaat vergezeld van een toelichting. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een 'goede ruimtelijke ordening'. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridische plangedeelte, heeft de toelichting een belangrijke rol bij de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Voor de opzet van de verbeelding en de planregels is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke modelregels. De gemeente streeft namelijk naar (zoveel mogelijk) standaardisering van bestemmingen en planregels, zodat iedereen in Veldhoven gelijke rechten heeft.

Het bestemmingsplan voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), dit zijn op nationaal niveau voorgeschreven richtlijnen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de naamgeving van artikelen en het kleurgebruik van bestemmingen.

6.2 Toelichting op de verbeelding

Het bestemmingsplan bestaat uit een digitale en papieren versie van de verbeelding. Opgemerkt wordt dat de papieren en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding, die op de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl staat, is juridisch bindend. In de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de analoge verbeelding opgenomen in de legenda.

Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een ondergrond getekend.

Dit plan voorziet in een volledige herinrichting van De Run 4200 tussen de aansluiting met de Ulenpas en de kruising met De Run 4500, waarbij een snelfietsroute wordt aangelegd. Omdat de hele weg wordt heringericht, is het totale wegprofiel opgenomen op de verbeelding van dit bestemmingsplan. Het wegprofiel is volledig bestemd als 'Verkeer'. Binnen deze bestemming zijn, naast wegen en fietsvoorzieningen, ook groenvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen overal toegestaan. Doordat de groenvoorzieningen (onderdeel van het profiel van de weg) en de waterhuishoudkundige voorzieningen niet precies zijn vastgelegd, bestaat nog flexibiliteit om het wegontwerp te optimaliseren.

6.3 Toelichting op de regels

De bestemmingsplanregels regelen hoe de gronden binnen het plangebied mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten:

  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels
  • Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels
  • Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.
6.3.1 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels, die bestaan uit de begrippen en de wijze van meten.

Artikel 1 - Begrippen

In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Artikel 2 - Wijze van meten

In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

6.3.2 Bestemmingsregels

In hoofdstuk 2 van de planregels worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en is bepaald voor welke doeleinden de in die bestemming opgenomen gronden en gebouwen mogen worden gebruikt. Daarnaast zijn per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Dit bestemmingsplan bevat één bestemming:

Artikel 3 - Verkeer

De gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn bestemd voor wegen, straten en verhardingen en voor fiets- en voetpaden. Daarnaast zijn pleinen en overige verblijfsgebieden en verkeers- en parkeervoorzieningen toegestaan. Binnen de bestemming zijn bijbehorende voorzieningen waaronder groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen overal toegestaan.

Er mogen gebouwen ten dienste van het openbaar nut worden opgericht, zoals wachthuisjes voor busdiensten en gebouwtjes voor energie- en waterdistributie en telecommunicatie. De bouwhoogte bedraagt maximaal 4 meter en de oppervlakte per gebouw maximaal 15 m2. In de planregels is daarnaast een regeling opgenomen voor de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Via een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag afwijken van de bouwregels en hogere gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde toelaten.

6.3.3 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels die gelden voor het hele plangebied. Het betreft de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkingsregels.

Artikel 4 - Anti-dubbeltelregel

Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Artikel 5 - Algemene bouwregels

In de algemene bouwregels is een bouwregeling opgenomen voor ondergronds bouwen, die bepaalt dat kelders zijn toegestaan waar gebouwen mogen worden gebouwd. Ook is er een regeling opgenomen voor bestaande maten. Indien de bestaande maatvoering, afstanden, bebouwingspercentages en/of oppervlaktes van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde (volgens een verleende omgevingsvergunning) afwijken van de in de regels en op de verbeelding genoemde maten zijn de bestaande maten leidend.

Artikel 6 - Algemene gebruiksregels

In dit artikel zijn de algemeen geldende regels opgenomen ten aanzien van strijdig gebruik. Ook zijn regels opgenomen in verband met het zogenaamde vogelbeheersgebied vanwege Vliegbasis Eindhoven.

Artikel 7 - Algemene aanduidingsregels

In dit artikel zijn regels opgenomen die samenhangen met de gebiedsaanduidingen op de verbeelding. Er zijn regels opgenomen waarin bouwhoogtebeperkingen zijn geregeld ter plaatse van de IHCS (aanduiding 'luchtvaartverkeerzone - IHCS') en er is een (signalerende) regeling opgenomen ter plaatse van de boringsvrije zone in verband met de bescherming van het grondwater ('milieuzone - boringsvrije zone').

Artikel 8 - Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsregels opgenomen. Deze afwijkingen betreffen het overschrijden van maten die in de regels zijn bepaald.

Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregel van het bestemmingsplan. In de overgangsregels is het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik geregeld. In de slotregel is bepaald onder welke titel het plan kan worden aangehaald.