direct naar inhoud van 4.9 Natuur in relatie tot Flora- en faunawet
Plan: Oerle-Zuid, eerste fase Zilverackers
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0861.011300oerlezuid-0305

4.9 Natuur in relatie tot Flora- en faunawet


Uitgevoerde natuuronderzoeken 2005 tot 2009

In de periode 2005 t/m 2008 is het plangebied onderzocht door verschillende onderzoeksbureaus, te weten Ecologica, Natuurbalans, Econsultancy BV, Faunaconsult, Regelink Ecologisch Onderzoek, STARO, ARCADIS en door het IVN op de aanwezigheid van beschermde flora en fauna.


Door ARCADIS zijn de uitgevoerde natuuronderzoeken gebundeld in een natuurtoets, waar tevens de voorgenomen ontwikkelingsplannen Oerle-Zuid getoetst zijn aan de Flora- en faunawet. Tevens is voorzover noodzakelijk in 2010 aanvullend natuuronderzoek uitgevoerd ten einde een actueel en volledig beeld te verkrijgen.

Als gevolg van de toetsing aan de Flora- en faunawet is in 2009 een ontheffingsprocedure doorlopen. In bijlage 6 is de reactie van ministerie van LNV opgenomen (LNV Kenmerk: FF/75C/2009/0238, d.d. 10 november 2009).


In bijlage 7 is de natuurtoets Oerle-Zuid opgenomen. De belangrijkste resultaten, conclusies en de toetsing aan de Flora- en faunawet zijn hieronder beschreven.


Onderzoeken 2009 en 2010

Vanwege de voorgenomen ontwikkelingen en vanwege de lijn die het Ministerie van Landbouw, Natuur & Voedselkwaliteit volgt is er in 2009 en 2010 een ecologische monitoring uitgevoerd in het gebied. Deze monitoring heeft zich toegespitst op de meest kwetsbare en zwaar beschermde soorten (Tabel 2 en 3 Flora- en faunawet). Aanvullende resultaten zijn opgenomen in de Natuurtoets Oerle-Zuid die als bijlage 7 is bijgevoegd. Verder zijn nog diverse kleinere onderzoeken uitgevoerd, als gevolg van concretisering van de voorgenomen plannen. Ook deze resultaten zijn verwerkt in de Natuurtoets Oerle-Zuid.


De aangetroffen tabel 2 en 3 soorten van de Flora- en faunawet binnen Oerle-Zuid zijn als bijlage in het rapport "Natuurtoets Oerle-Zuid" opgenomen.


In onderstaande paragraaf geven we in het kort de resultaten weer van de uitgevoerde natuuronderzoeken. We beperken ons bij de beschrijving van de resultaten tot de aangetroffen Tabel 2 en 3 soorten van de Flora- en faunawet. Voor Tabel 1 soorten geldt een vrijstelling van ontheffing bij ruimtelijke ontwikkelingen en geldt alleen de Algemene Zorgplicht Flora- en faunawet (artikel 2 Ffwet).


Onderzoeksresultaten 2005 t/m 2010

Uit de diverse onderzoeken blijkt dat er binnen de projectbegrenzing van Oerle-Zuid diverse beschermde soorten aangetroffen zijn en vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn. Het gaat hier om de volgende zwaar beschermde soorten:

  • Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Ruige dwergvleermuis en zéér incidenteel Das.
  • Binnen de begrenzing van het plangebied komen geen nestlocaties voor van soorten die jaarronde nestbescherming genieten. In de directe nabijheid van de plangrens komen wel nesten van broedvogels voor die jaarrond beschermd zijn (Buizerd, Kerkuil).
  • De planlocatie maakt deels onderdeel uit van foerageergebied van soorten met jaarrond beschermde nesten (Steenuil, Kerkuil, Buizerd, Havik en Sperwer). De nesten van deze soorten liggen ofwel direct aangelegen van de plangrens (Buizerd, Kerkuil) of op grotere afstand van de plangrens (Steenuil, Havik, Sperwer).
  • In het plangebied komen diverse algemeen voorkomende soorten broedvogels van stad en park voor en in gering aantal enkele weidevogelsoorten (onder andere Patrijs, maar ook bossoorten als Grote bonte Specht, Zwarte specht, Groene specht).
  • De Zandoerlesche Bossen zijn het leefgebied van een gezonde populatie Eekhoorn met verspreid over het gehele gebied diverse nesten.
  • Naast deze soorten komen diverse andere beschermde soorten voor die vermeld staan in Tabel 1 van de Flora- en faunawet aangetroffen (o.a. Mol, Konijn, Ree, Vos, diverse soorten muizen, Bruine kikker, Groene kikker complex, Gewone pad en vaatplanten zoals Brede wespenorchis).


Effecten op beschermde soorten en mitigerende maatregelen om de effecten te minimaliseren

Bij de realisatie van de voorgenomen plannen Oerle-Zuid treden de volgende effecten op ten aanzien van beschermde soorten:


Door de voorgenomen aanleg van de Verlengde Heerbaan wordt een vliegroute (gelegen langs het Boswegje) van Gewone dwergvleermuizen doorkruist. De beoogde ligging van het tracé heeft geen directe boomkap tot gevolg, maar doorkruist een open vliegverbinding (van Boswegje naar bosrand). Deze verstoring wordt gemitigeerd door de aanleg van een Hop-over. De aanleg van de hop-over verbetert de robuustheid van de vliegroute, omdat er meer beschutting ontstaat.


De beoogde Verlengde Heerbaan ligt tegen de bosrand van de Oerlesche bossen. De ligging ten opzichte van de bosrand heeft als gevolg dat er een verstorende werking optreedt ten aanzien van het foerageergebied van Laatvlieger en Gewone dwergvleermuis. Deze effecten worden gemitigeerd, door het aanbrengen van een geleidende houtwal die met een aanplant voor geleiding zorgt én die als foerageergebied dienst doet.


De beoogde woningbouw heeft tot gevolg dat er enkele bomen aan de westkant van het Boswegje gekapt dienen te worden. Deze ingreep is nodig voor de aanleg van twee toegangswegen. Bij de ingreep ontstaan twee open stroken in de vliegroute van de Gewone dwergvleermuis, die de bomen aan het Boswegje gebruiken als vliegroute naar de Zandoerlesche Bossen. Door de kap van enkele bomen treedt geen permanent negatief effect op aan de functie van vliegroute, omdat er afdoende robuustheid van bomen gehandhaafd blijft. Aan de oostkant van het Boswegje worden geen bomen gekapt, waarmee de robuustheid ook gewaarborgd blijft. Mitigerende maatregelen zijn hier niet noodzakelijk.


De aanleg van de woningbouw heeft tot gevolg dat er open gebied verdwijnt. Dit open gebied vormt het foerageergebied van Gewone dwergvleermuis en Laatvlieger. Het verlies aan foerageergebied wordt gemitigeerd door een groene kwaliteitsimpuls door de aanleg van een landschapspark en door bosaanplant ten zuidoosten van de plangrens Oerle-Zuid. Het gebied wordt daarmee extensiever; het planvoornemen is immers ook gericht op extensief grasland, ruige randen en kleine akkers.


Door de bebouwing van het open gebied verdwijnt er broedgebied voor vogels van akkers en weilanden zoals Patrijs. Het open gebied wordt deels gebruikt als foerageergebied voor Kerkuil en Buizerd. Soorten als Steenuil, Havik en Sperwer kunnen het gebied gebruiken als foerageergebied. Het landschapspark biedt voor Kerkuil, Buizerd, Steenuil, Havik en Sperwer geschikt foerageergebied. Broedvogels als Patrijs en andere weide- en akkervogels zullen naar verwachting op den duur uitwijken naar andere geschikte gebieden in de directe nabijheid om te broeden. Het huidige terrein is qua oppervlakte te klein voor duurzame populaties weide- en akkerlandvogels. Daarnaast is het huidige agrarisch gebruik te intensief voor veel soorten.


De vliegverbinding van Kerkuil richting zuidelijk gelegen foerageergebieden kan onder druk komen te staan door toename van menselijke activiteiten. Door de inpassing van een breed landschapspark, ter plekke van de vliegroute van Kerk naar Zandoerlesche Bossen, wordt een kwaliteitsimpuls gegeven aan deze vliegverbinding. Door de aanplant met bomen en boomgroepen krijgt de soort geleiding naar de foerageergebieden. De herinrichting van het nu open agrarisch gebied naar een parkachtig landschap geeft ook kwaliteitsimpuls aan het foerageergebied van deze soort (meer kleinschalig met aantrekkingskracht op het hoofdvoedsel van de soort; muizen).


Ten behoeve van de aanleg van de Verlengde Heerbaan dient het pand gelegen aan de Sint Jansstraat 58 gesloopt te worden. Effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen treedt niet op, omdat deze niet zijn aangetroffen. De boskap die hierbij plaats heeft doet afbreuk aan het foerageergebied van vleermuizen. Dit wordt gemitigeerd ten zuidoosten van de planlocatie door de aanplant van bos.


Effecten op jaarrond beschermde nestlocaties van broedvogels treden niet op, omdat deze niet zijn aangetroffen binnen de plangrens. Effecten op nabij gelegen jaarrond beschermde nesten treden ook niet op. Het nest van de Kerkuil bevindt zich in de kerk van Oerle en ondervindt geen negatief effect van de aanleg van de woonwijk en de Verlengde Heerbaan. De nestlocatie van Buizerd blijft intact en ligt op geringe afstand van de beoogde woonblokken aan de noordkant van de Zandoerlesche Bossen.


Ten noordoosten van het te slopen pand Sint Jansstraat 58 is een mierennest aangetroffen van de Kale rode bosmier (Tabel 1 Flora- en faunawet). Dit nest bevindt zich op het beoogde tracé en er dienen maatregelen genomen te worden tot verplaatsen van het nest om de gunstige staat van instandhouding van de soort ter plekke te kunnen garanderen.


Ten behoeve van de sanering van asbest, aanwezig in een houtwal aan de westkant van de projectlocatie, treden ter plekke van de te kappen bomen geen effecten op ten aanzien van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen of broedvogels met jaarrond beschermde nestlocaties. Kwalitatief treedt er geen effect op ten aanzien van potentieel geschikt foerageergebied, omdat er voldoende robuustheid overblijft. Als primaire vliegroute is deze houtwal niet zeer geschikt, omdat het niet aansluitend is met andere lijnelementen. Mitigerende maatregelen zijn hier niet nodig. De functionaliteit als foerageergebied wordt niet aangetast.


Indien het KI gebouw (woongedeelte) gesloopt wordt, treedt mogelijk vernietiging op van een vaste rust- en verblijfplaats van vleermuizen. In 2009 is niet vastgesteld dat er vleermuizen in het pand huizen, maar in 2010 zijn wél sporen van mogelijke bewoning aangetroffen. Wanneer het besluit genomen wordt het pand te slopen of bij een renovatie van het betreffende pand dient nader onderzoek te worden verricht ten einde adequate maatregelen te kunnen nemen.


Ter plekke van het te slopen woonhuis Het Stoom 12 zijn geen effecten te verwachten op vleermuizen of gebouwbewonende broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (Huismus, Gierzwaluw).


Toetsing aan de Flora- en faunawet

Voor soorten vermeld op Tabel 1 van de Flora- en faunawet geldt een vrijstelling van ontheffing bij ruimtelijke ingrepen. Er dient wel gewerkt te worden conform de Algemene Zorgplicht (artikel 2 Flora- en faunawet). Voor Tabel 2 soorten geldt dat er zonder ontheffing gewerkt mag worden indien er gewerkt wordt conform een, door de initiatiefnemer van de plannen, ondertekende door het ministerie van LNV goedgekeurde gedragscode (bijvoorbeeld Gedragscode Bouwend Nederland).

Voor tabel 3 soorten geldt dat er gewerkt mag worden met een goedgekeurd activiteitenplan en conform verkregen 'positieve afwijzing' (resultaat van een succesvol doorlopen ontheffingsaanvraag).


Op basis van de onderzoeksresultaten en uit de toetsing aan de Flora- en faunawet blijkt dat er bij de werkzaamheden enkele overtredingen begaan worden, te weten;

  • Verstoring van vliegroute van Gewone dwergvleermuis ter plekke van het beoogde tracé Verlengde Heerbaan. De verstoring treedt op ter plekke van het open deel van de vliegroute Boswegje - bosrand Zandoerlesche Bossen.
  • Gedeeltelijke vernietiging en/of verstoring van foerageergebied van Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger en Ruige dwergvleermuis.
  • Gedeeltelijke vernietiging van potentieel geschikt foerageergebied van Das. Ondanks het niet voorkomen van een gezonde populatie Dassen wordt hiervoor ontheffing aangevraagd, op basis van het voorkomen van een onbelopen oude dassenburcht en de aangetroffen prent en haren van een naar allen waarschijnlijkheid zwervende Das.


Andere optredende effecten op broedvogels met jaarrond beschermde nestlocaties worden meer dan afdoende gemitigeerd middels het aanleggen van een landschapspark en het realiseren van bosaanplant aan de zuidoostkant van het bestemmingsplan Oerle-Zuid

De gemeente Veldhoven heeft de planvorming zodanig opgezet dat adequate (mitigerende) maatregelen (zie bijlage 7, hoofdstuk 5 en 6 Natuurtoets Oerle Zuid) worden genomen om voor de desbetreffende soorten maatregelen te treffen die garanderen dat het gebied na afronding van de aanlegfase functioneel blijft voor de genoemde soorten. Door deze (mitigerende) maatregelen blijft de functionaliteit van vaste rust- of verblijfplaatsen van de genoemde diersoorten in stand. Daardoor wordt artikel 11 Flora- en Faunawet niet overtreden, dan wel zal een ontheffing of vrijstelling kunnen worden verkregen. In ogenschouw nemende het ontheffingen- en vrijstellingsregime van de Flora- en Faunawet alsmede het beleid van het ministerie van LNV hierbij en deze maatregelen, wordt geconcludeerd dat hiermee de Flora- en Faunawet geen belemmering vormt voor de realisatie van het bestemmingsplan Oerle-Zuid.