direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Riethovensedijk 8
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0861.BP00150-0301

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De initiatiefnemer is eigenaar van het perceel aan de Riethovensedijk 8 te Veldhoven. Het perceel heeft de bestemming 'Bedrijf-1’ met de functieaanduiding ‘caravanstalling’. Op het perceel zijn een aantal verouderde en incourante gebouwen met asbest daken aanwezig die ongeschikt zijn om te verhuren voor opslagdoeleinden en als caravanstalling. Enerzijds vanwege de geringe hoogte van (een deel van) de bestaande bebouwing, maar zeker ook vanwege de te kleine vloeroppervlakten.

Bij de gemeente heeft initiatiefnemer een plan ingediend voor de sloop van een 5-tal gebouwen en een mestkelder. Hiervoor in de plaats wil initiatiefnemer een nieuwe courante loods bouwen met een oppervlakte van 800 m2 welke landschappelijk zorgvuldig wordt ingepast. De nieuwe loods zal worden gebruikt voor zowel de statische opslag van spullen van derden als voor de stalling van caravans.

Omdat de oppervlakte aan te slopen bebouwing gelijk is aan de oppervlakte aan nieuwbouw vindt er geen verdere verstening plaats van het buitengebied. De gemeente heeft daarom ingestemd met het verzoek. Ook omdat met de sloop van de verouderde gebouwen verrommeling van het landschap wordt voorkomen.

Omdat de gewenste locatie van de nieuwe loods deels buiten het bouwvlak ligt, is het noodzakelijk om een herziening van het bestemmingsplan te doorlopen waarmee de ligging van het bouwvlak wordt aangepast aan de nieuwe situatie.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied, ten zuid van de kern Veldhoven. Het ligt in een landelijke omgeving die zich kenmerkt door de aanwezigheid van bossen en agrarische gronden. In figuur 1 is de ligging van het plangebied in het buitengebied van Veldhoven weergegeven. De globale begrenzing van het plangebied is met een rode lijn weergegeven in het rechter plaatje van deze figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0001.png"

Figuur 1: Ligging plangebied in het buitengebied


Voor de eaxacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de bij dit bestemmingsplan horende verbeelding.

1.3 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan “Buitengebied 2009'' dat op 15 december 2009 is vastgesteld en het bestemmingsplan 'Buitengebied, 2009, 1e herziening', dat op 11 februari 2014 is vastgesteld.

Buitengebied 2009

In het bestemmingsplan “Buitengebied 2009' is het plangebied bestemd als 'Enkelbestemming bedrijf - 1' met de functieaanduiding 'caravanstalling'.

De voor 'Bedrijf-1' aangewezen gronden zijn voormalige agrarische locaties die hergebruikt mogen worden. De toegestane bedrijfsactiviteiten zijn vastgelegd in bijlage 2 behorende bij de regels van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij om onder andere de verhuur van ruimten aan derden ten behoeve van de statische opslag en/of hobbyruimte. Ter plaatse van de aanduiding 'caravanstalling' zijn de gronden tevens aangewezen voor een caravanstalling.

Het perceel heeft in de huidige situatie de beschikking over een bouwvlak van circa 1.685 m2. Zie voor de ligging van het bouwvlak figuur 2. Door middel van de maatvoeringsaanduiding is het maximum bebouwd oppervlakte aan bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak begrensd op 825 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0002.png"

Figuur 2: uitsnede verbeelding locatie Riethovensedijk 8 in Veldhoven

Het plangebied ligt verder binnen de begrenzing van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Ook zijn een viertal gebiedsaanduiding van toepassing op het plangebied.

De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' bepaald of bij bodemingrepen archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Zie hiervoor ook paragraaf 4.7 van de toelichting.

De van toepassing zijnde waarden zijn aangegeven door middel van gebiedsaanduidingen.

Buitengebied, 2009, 1e herziening

In verband met onder andere de uitspraak van de Raad van State inzake enkele ingediende beroepen tegen het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2009’ en de vaststelling van de Verordening ruimte 2012 en de Structuurvisie ruimtelijke ordening door de provincie is het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009' herzien.

De belangrijkste wijziging is dat met deze eerste herziening het plangebied binnen de grenzen van de Groenblauwe mantel is komen te liggen. De mantel bestaat overwegend uit gemengd agrarisch gebied met belangrijke nevenfuncties voor natuur en water. Het zijn gebieden grenzend aan het kerngebied natuur en water die bijdragen aan de bescherming van de waarden in het kerngebied.

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit een digitale en papieren versie van de verbeelding met de daarbij behorende regels. De digitale verbeelding is rechtsgeldig en raadpleegbaar via www.ruimtelijkeplannen.nl. Dit is een landelijke website waarop alle bestemmingsplannen van Nederland staan. Alleen de digitale versie is juridisch bindend.

Bij het bestemmingsplan is een toelichting gevoegd. In de toelichting wordt aangegeven waarom het bestemmingsplan is opgesteld, wat de effecten van het bestemmingsplan zijn en welke afwegingen hebben plaatsgevonden.

Na deze inleiding volgt hoofdstuk 2. Hierin staat het beleidskader beschreven en een motivatie hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot de diverse beleidsdoelstellingen . In Hoofdstuk 3 wordt de bestaande en de nieuwe situatie beschreven. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in de relevante planologische aspecten, al dan niet milieutechnisch van aard. In hoofdstuk 5 staat uitleg over de uitvoerbaarheid, waarbij ingegaan wordt op de economische uitvoerbaarheid en de procedure (maatschappelijke uitvoerbaarheid) van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 6 geeft een uitleg over de juridische aspecten van het plan waarbij ook een korte uitleg van de bestemmingsregels wordt gegeven.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

Bij het opstellen van beleid dienen gemeenten rekening te houden met het beleid van andere overheden. Zo geven het rijk, de provincie Noord-Brabant en de regio met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. In dit hoofdstuk worden de voor de ontwikkeling relevante zaken uit het nationale, provinciale en regionale beleid weergegeven. Ook wordt aangegeven hoe de ontwikkeling zich verhoudt met het beleid van de gemeente Veldhoven zelf.

2.1 Nationaal beleid

2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.

In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050

Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land:

  • dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;
  • met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;
  • waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;
  • met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;
  • waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen; zowel in de stad als daarbuiten.
  • dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;
  • waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;
  • dat openstaat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.

Nationale belangen
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.


De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.

Conclusie relatie met voorliggend plan

In de NOVI is geen concreet beleid op nationaal niveau geformuleerd dat van belang is voor het voorliggend bestemmingsplan. Het planvoornemen is op nationale schaal dermate kleinschalig dat er geen strijdigheid kan bestaan met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. Voor deze ontwikkeling vindt de afweging dat wordt voldaan aan de principes van een goede ruimtelijke ordening décentraal plaats.

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de bijbehorende Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) vormen de juridische vertaling van de kaderstellende uitspraken die in de SVIR, de voorloper van de NOVI, zijn geformuleerd. Het Besluit en de Regeling bevatten regels ter bescherming van de nationale belangen. De regels van het Barro moeten in acht worden genomen bij het opstellen van provinciale ruimtelijke verordeningen en bestemmingsplannen, zodat ze doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming.

Hierin gaat onder andere om het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS), electricitieitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen.

Het plangebied valt volgens de kaarten van de Rarro in het obstakelbeheergebied rond Vliegbasis Eindhoven. Op deze gronden gelden op grond van artikel 2.6.4 van het Barro maximaal toelaatbare bouwhoogtes voor objecten ter bescherming van de veiligheid van het luchtvaartverkeer en ter bescherming van de werking van (radar)apparatuur. De bouwhoogtebeperkingen zijn overgenomen in dit bestemmingsplan, zodat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het Barro.

Het plangebied valt volgens de kaarten van de Rarro in het radarverstoringsgebied van de radarinstallatie op vliegbasis Woensdrecht. Het plangebied ligt niet binnen de kern van het radarverstoringsgebied, maar binnen de daaromheen liggende ring. In die ring gelden uitsluitend bouwhoogtebeperkingen voor windmolens. Omdat in voorliggend bestemmingsplan geen windmolen(s) met een dergelijke hoogte mogelijk worden gemaakt, is het bestemmingsplan verder in overeenstemming met het bepaalde hierover in het Rarro.

Conclusie relatie met voorliggend plan

Het Barro en Rarro vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

2.1.3 Ladder voor duurzame ontwikkeling

Relevante wet- en regelgeving

Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 Bro een motiveringsplicht opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De zogenaamde 'Ladder voor Duurzame Verstedelijking' is bedoeld om te komen tot een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten, waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. Per 1 juli 2017 is het aantal treden van de ladder gewijzigd van drie naar in beginsel één trede. In artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening is het volgende opgenomen:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De Ladder is alleen van toepassing op plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Op basis van de overzichtsuitspraak die is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) geldt dat bij woningbouwlocaties vanaf 12 woningen in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Is dit het geval, dan is een Laddertoets vereist en is daarmee een beschrijving van de behoefte nodig. Naast kwantitatieve aspecten, kunnen ook kwalitatieve aspecten een rol spelen bij de beschrijving van de behoefte. Denk hierbij aan specifieke woningtypen, wooncategorieën en woonmilieus.

Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied is een uitgebreidere motivering vereist waarbij tevens dient te worden ingegaan op de vraag, waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Of het plan is gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied moet worden bepaald aan de hand van de bepalingen in het Bro, artikel 1.1.1,: 'Bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.'

Toetsing plan

Het voorliggende plan voorziet niet in een stedelijke ontwikkeling zoals gedefinieerd in artikel 3.1.6 Bro. Een verdere toets aan de Ladder kan achterwege blijven.

Conclusie relatie met voorliggend plan

Het plan voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

Vooruitlopend op de in werkingtreding van de Omgevingswet in 2022, hebben Provinciale Staten op 14 december 2018 de Brabantse Omgevingsvisie vastgesteld. Met deze Omgevingsvisie geeft de provincie richting aan wat zij voor Brabant wil bereiken en biedt daarmee handvatten voor haar handelen in de praktijk.

De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste provinciale ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Conform de Omgevingswet staan de waarden veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De visie geeft daarbij richting aan deze opgaven vanwege de ingrijpende veranderingen waarmee zij gepaard gaan. Daarnaast geeft de Omgevingsvisie ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. De visie zal komende jaren nader worden uitgewerkt in diverse programma's. Inmiddels is er ook een Interim omgevingsverordening vastgesteld, waarop hierna wordt ingegaan.

Conclusie relatie met voorliggend plan

In de omgevingsvisie is een ‘foto’ genomen van de stand van zaken in 2018 en er is een panorama geschetst voor de situatie in 2050. Het betreft in 2018 een intensief landbouwgebied met een sterke agrofoodsector. De landbouw is een belangrijke economische factor in 2018 die veel exporteert. Tegelijk heeft de landbouw als grootste ruimtegebruiker nog te veel een negatieve impact op de kwaliteit van de leefomgeving (bodem, water en lucht) en biodiversiteit en daarmee op het welbevinden van de Brabanders en het vestigingsklimaat.

In de omgevingsvisie wordt een vergezicht geschetst van 2050. Er wordt dan duidelijk cyclisch gedacht én gedaan: groener, duurzamer en slimmer. De invloed van de veehouderij is veranderd. Van effen groene, maar ecologisch gezien tamelijk monotone velden, is het agrarisch landschap weer veel gevarieerder. Er wordt meer rekening gehouden met de ondergrond. Ook zijn er weer kruiden en wilde bloemen. Daardoor zijn er weer meer insecten en daardoor weer meer akkerstruweel- en weidevogels. Door samenwerking van alle partijen is er sprake van een gebied met een grote agro- en foodsector, waar het evenwicht tussen ecologie en economie hersteld is én waar boeren en burgers elkaar weer weten te vinden. Vee wordt gehouden in schone, aantrekkelijk vormgegeven en goed ingepaste stallen. Veehouderij en plantaardige teelten vormen samen een internationaal circulair systeem waarin nog nauwelijks verliezen naar bodem, water of lucht optreden. Mest van mens en dier is in dit systeem een waardevolle grondstof en kunstmest wordt nog maar mondjesmaat gebruikt.

Brabant is in 2050 welvarend, verbonden en klimaatproof. Dat is het panorama dat wordt geschetst in de omgevingsvisie. Om het panorama te realiseren en Brabant in de toekomst welvarend, verbonden en klimaatproof te laten zijn, worden door de provincie vier hoofopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen en op elkaar inwerken als de tandwielen in een machine:

  • Werken aan de Brabantse energietransitie
  • Werken aan een klimaatproof Braban
  • Werken aan de slimme netwerkstad
  • Werken aan een concurrerende, duurzame economie

Deze vier hoofdopgaven zijn belangrijk voor heel Brabant en spelen in de hele provincie. Dat betekent niet dat deze Brabant breed op dezelfde manier worden opgepakt. Bij het uitwerken van een aanpak is het belangrijk om vanuit een gebied specifieke benadering de kansen en bedreigingen van de opgaven te benoemen en rekening te houden met de kansen vanuit andere hoofdopgaven.

Door verschillende doelen met elkaar te verweven en slimme combinaties te maken, ontstaat een grotere meerwaarde voor een gebied. Door niet alleen werkgelegenheid te creëren, maar tegelijkertijd ook bij te dragen aan de omslag naar een circulaire economie bijvoorbeeld. Dit streven naar meerwaarde is de centrale gedachte van deze Omgevingsvisie.

In de omgevingsvisie worden een werkwijze en concrete beleidsdoelen geformuleerd. In relatie tot de landbouw bijvoorbeeld: “Eerst en vooral is een verdere beperking van de impact van de primaire landbouw door emissies vanuit de veehouderij en de gevolgen van het gebruik van mest- en gewasbeschermingsmiddelen van belang. Ook de landschappelijke inpassing van stallen, kassen, plastic tunnels en loodsen verdient aandacht”.

Het voorgenomen initiatief betreft de sloop van vijf voormalige agrarische gebouwen en de sanering van een mestkelder. Ten opzichte van het oorspronkelijk gebruik van de locatie voor agrarische (veehouderij) doeleinden zijn de emissies van ammoniak, geur en fijnstof gedaald. De nieuwe loods wordt op een zorgvuldige wijze landschappelijke ingepast met waardoor wordt voldaan aan de voorwaarden met betrekking tot de landschappelijke inpassing.

2.2.2 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant

Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 25 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant vastgesteld. De Interim omgevingsverordening is een eerste stap op weg naar de definitieve omgevingsverordening voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet in 2021. Hierin worden de bestaande verordeningen over de fysieke leefomgeving samengevoegd tot één Interim omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Enkele inhoudelijke wijzigingen zijn echter wel aangebracht. Op hoofdlijnen gaat het om:

  • a. een meer gebruikersvriendelijke opbouw met regels die per gebruikersgroep (burgers en bedrijven, gemeenten, waterschap) bij elkaar staan en minder losse bijlagen;
  • b. aanpassingen waardoor de regels straks beter passen in het systeem van de omgevingswet;
  • c. aanpassingen vanwege de vastgestelde omgevingsvisie, zoals de nieuwe manier van samenwerken en meer inzet op omgevingskwaliteit.

Zo wordt onderscheid gemaakt tussen rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven en instructieregels voor gemeenten. De instructieregels voor gemeenten hebben tot doel dat de gemeenteraad de, in de omgevingsverordening opgenomen, voorwaarden betrekt bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Vooruitlopend op de Omgevingswet richten de instructieregels zich op een evenwichtige toedeling van functies (in plaats van het bestemmen van ontwikkelingen). Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving (in plaats van een goede ruimtelijke kwaliteit).

De provincie wil de omgevingskwaliteit van Brabant bevorderen, in combinatie met een veilige en gezonde leefomgeving. Bij omgevingskwaliteit gaat het om de kwaliteit van een plek of gebied, die wordt bepaald door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde.

Planspecifiek

In deze paragraaf wordt ingegaan op de diverse onderdelen uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant die relevant zijn voor het plangebied. Onderdeel van de verordening zijn acht kaarten. Twee kaarten met rechtstreeks werkende regels over milieubescherming en landbouw. Zes kaarten met instructieregels over diverse onderdelen zoals stedelijke ontwikkeling. Omdat het voorliggende plan geen landbouwontwikkeling betreft, blijven deze kaarten verder buiten beschouwing.

In figuur 3 zijn de relevante werkingsgebieden uit de Interim omgevingsverordening weergegeven die voor het plangebied van toepassing zijn:

  • 1. Natuur en stiltegebied (artikel 3.26)
  • 2. Groenblauwe mantel (artikel 3.32)
  • 3. Landelijk gebied (artikel 3.9)
  • 4. Attentiezone waterhuishouding (waterschappen) (artikel 4.12)

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0003.png"

Figuur 3: Uitsneden kaarten Interim omgevingsverordening, links: kaart 1 en rechts kaart 2 (plangebied bij rode druppel)

De zes kaarten omtrent instructieregels behorende bij de verordening laten zien dat het plangebied niet ligt in bestaand stedelijk gebied of een gebied waar verdere verstedelijking afweegbaar is. Er zijn geen overige provinciale belangen voor deze locatie op basis van het kaartmateriaal aanwezig.

Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (3.1.2)

In de verordening zijn basisprincipes omschreven voor een evenwichtige toedeling van functies. Hierbij is het van belang dat een bestemmingsplan invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Daarnaast geldt dat er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied worden beschouwd met toepassing van de lagenbenadering en dat er sprake is van meerwaardecreatie. Dit bestemmingsplan wordt getoetst aan deze drie elementen.

Uitwerking van deze onderwerpen is opgenomen in de artikelen 3.6 t/m 3.8 van de Iov. Voor ontwikkelingen in het landelijk gebied is artikel 3.9 kwaliteitsverbetering aan de orde.

Zorgvuldig ruimtegebruik (artikel 3.6)

Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

  • a. de toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, behalve in de gevallen dat:
    • 1. nieuwvestiging mogelijk is op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk;
    • 2. er feitelijk of vanuit kwalitatieve overwegingen onvoldoende ruimte is en uitbreiding, al dan niet gelijktijdig met de vestiging van een functie, op grond van de bepalingen in dit hoofdstuk is toegestaan;


In het voorliggende plan is geen sprake van een uitbreiding van de oppervlakte aan bebouwing. Er wordt circa 800 m2 bebouwing gesloopt. De nieuwe loods krijgt een oppervlakte van 20 meter bij 40 meter. Het ruimtebeslag neemt derhalve niet toe.

  • b. bij stedelijke ontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking);

Niet van toepassing

  • c. gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel.

In het bestemmingsplan Buitengebied 2009 ligt het bouwvlak strak om de bestaande bebouwing heen. Eén gebouw is per abuis niet opgenomen in het bouwvlak.

Binnen de contouren van het bestaande bouwvlak is het realiseren van een courante loods van 800 m2 niet mogelijk. Om die reden wordt de vorm van het bouwvlak gewijzigd. In de nieuwe situatie heeft het bouwvlak een oppervlakte van circa 2.200 m2. Binnen dit bouwvlak zijn in de toekomstige situatie de bedrijfswoning, een te handhaven schuur van 303 m2 en de nieuwe loods gelegen.

Toepassing van de lagenbenadering (artikel 3.7)

De toepassing van de lagenbenadering is een hulpmiddel om de effecten van een ontwikkeling in beeld te brengen. Het gaat daarbij om het effect op de lagen in wisselwerking met elkaar waarbij de factor tijd actief wordt benut.

De eigenschappen van de ondergrond, het landschap, de infrastructuur en de mate van verstedelijking verschillen sterk binnen Brabant. Hierdoor kan een ingreep in het oosten van Brabant heel anders uitpakken dan in West-Brabant. Daarom is het van belang om te weten hoe de omgeving in elkaar steekt en te kijken naar alle lagen: de ondergrond, de netwerklaag, de bovenlaag en de tijdsdimensie. Tussen deze lagen bestaat een wisselwerking. Iedere laag kent zijn eigen dynamiek, verschillende veranderingssnelheid en mate van omkeerbaarheid bij ingrepen.

In hoofdstuk 4 van deze toelichting worden alle afzonderlijke lagen beschouwd en wordt bovendien specifiek getoetst aan provinciale beleidsregels zoals het Natuur Netwerk, de groenblauwe mantel, cultuurhistorische- en aardkundige waarden, stiltegebied en delen van het watersysteem. Vooruitlopend op de toetsing in hoofdstuk 4 draagt het voorgenomen plan bij aan het behoud van de omgevingskwaliteit van dit gebied. De sloop van de verouderde gebouwen voorkomt verrommeling van het landschap. Dit tezamen met de landschappelijke inpassing van het perceel maakt dat de omgevingskwaliteit van het gebied wordt behouden.

Binnen het gebied van de groenblauwe mantel is het beleid gericht op het verbeteren van de belevingswaarde en de recreatieve waarde van het landschap. Nieuwe ontwikkelingen binnen de mantel zijn mogelijk, mits ze een positief effect hebben op:

  • de bestaande en te ontwikkelen natuur- en landschapswaarden;
  • en/of op het bodem- en watersysteem in het gebied.

Nieuwe stedelijke ontwikkelingen en (kapitaal)intensieve vormen van landbouw en recreatie zijn niet gewenst.

Omdat in de nieuwe situatie (zie ook paragraaf 3.2) de bestemming 'Bedrijf-1' wordt verkleind en waardoor circa 2.400 m2 aan grond met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuurwaarden' wordt gerealiseerd, past het voorgenomen plan binnen het beleid van de bescherming van de groenblauwe mantel. Verder zorgt de goede landschappelijke inpassing voor een versterking van de landschappelijke waarden aan de rand van het beekdal.

Meerwaardecreatie en kwaliteitsverbetering landschap (artikel 3.8 en 3.9)

Het begrip meerwaardecreatie is een belangrijke kernwaarde uit de verordening. Het is een basisprincipe waar bijvoorbeeld kwaliteitsverbetering van het landschap onder valt. Het betreft in deze een relatief kleine ontwikkeling waarbij een uitgebreide toetsing op dit aspect geen toegevoegde waarde heeft. In het kader van de normale regels omtrent kwaliteitsverbetering van het landschap is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt van het plan. Dit plan is bijgevoegd in Bijlage 4 bij de regels en wordt uitgebreid besproken in paragraaf 3.2.

Een tweede verbetering voor het landschap is dat de bestemming 'Bedrijf-1' een compactere vorm krijgt en in oppervlakte afneemt. In het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009' heeft deze bestemming een oppervlakte van circa 8.600 m2, terwijl in het voorliggende bestemmingsplan deze oppervlakte wordt verkleind naar circa 6.200 m2. Het verschil in oppervlakte wordt in de nieuwe situatie bestemd als 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden'.


Artikel 3.73 Vestiging niet-agrarische functie in landelijk gebied

Lid 1

Een bestemmingsplan van toepassing op Landelijk gebied kan voorzien in de vestiging van een niet-agrarische functie op een bestaand bouwperceel als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a. de vestiging past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied waarbij de volgende aspecten zijn betrokken:
    • 1. een gebiedsgerichte benadering welke activiteiten en functies passen in de
      omgeving;
    • 2. welke effecten de mogelijke ontwikkeling heeft op andere aspecten waaronder
      mobiliteit, agrarische ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;
    • 3. hoe de vestiging bijdraagt aan het versterken van de omgevingskwaliteit,
      waaronder een bijdrage aan de sloop van overtollig en leegstaand vastgoed in het Landelijk gebied.


In de voorliggende situatie is er geen sprake van een bestemmingswijziging. De vigerende bestemming is reeds niet-agrarisch. Deze begrenzing van deze bestemming wordt alleen iets gewijzigd, waarbij de oppervlakte van de bestemming afneemt.

  • b. Er vindt geen splitsing van het bouwperceel plaats;

Er vindt geen splitsing van het bouwperceel plaats.

  • c. Overtollige bebouwing wordt gesloopt;

De oppervlakte aan bebouwing die wordt gesloopt komt terug in de vorm van een nieuwe courante loods.

  • d. De vestiging heeft geen betrekking op:
    • 1. Een kantoor met baliefunctie;
    • 2. Lawaaisport;
    • 3. Mestbewerking.


Er is geen sprake van een kantoor met een baliefunctie waar derden zich melden, hier zijn ook geen plannen voor. De bedrijfsactiviteiten (opslagfuctie) vallen niet onder lawaaisport en er vindt geen mestbewerking plaats.


Lid 2

Het bestemmingsplan dat de vestiging mogelijk maakt, borgt dat de functie, ook op langere termijn, past binnen de ontwikkelingsrichting en stelt daartoe regels:

  • a. Over een bij de omgeving passende omvang en publieksaantrekkende werking;


De locatie is goed ontsloten via de Riethovensedijk die in noordelijke richting aansluit op de Volmolenweg. Via deze weg bereikt men Veldhoven. De beoogde activiteiten hebben een beperkt verkeersaantrekkende werking. Bovendien vinden in de huidige situatie ook stalling en opslag plaats.

  • b. Welke specifieke gebruiksactiviteit is toegestaan;

Op de locatie zijn conform de huidige bestemming 'Bedrijf-1' een aan-huis-gebonden-beroep conform bijlage 1 van de regels toegestaan alsmede bedrijfsactiviteiten conform bijlage 2 van de regels en een caravanstalling.

  • c. Dat opslag en stalling plaatsvindt in gebouwen;

De opslag en stalling vindt plaats in gebouwen.

  • d. Dat de ontwikkeling verplaatst naar een passende locatie als deze niet langer past binnen de maximaal toegestane omvang.


Er zijn geen plannen voor grootschalige activiteiten.


Lid 3

Als een binnen de omgeving passende omvang geldt voor:

  • a. Bedrijvigheid, dat deze kleinschalig is en past binnen een gemengde omgeving waardoor het niet doelmatig is om deze te vestigen op een bedrijventerrein;


De activiteiten van het bedrijf zijn kleinschalig. De activiteiten van het worden begrenst binnen de muren van de bestaande gebouwen. In de regels van het bestemmingsplan is vastgelegd dat de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen op de locatie maximaal (303 m2 + 800 m2) 1.103 m2 mogen bedragen. Omdat uitbreiding van de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen niet mogelijk is, is gewaarborgd dat de activiteiten kleinschalig in omvang zullen blijven, passend in de omgeving.

  • b. Een detailhandelsvoorziening, een omvang van het verkoopvloeroppervlak van ten hoogste 200 m²;


Er zijn geen plannen voor detailhandel.

  • c. Een voorziening ten dienste van vrijetijd en zorg, een omvang van de bebouwing van ten hoogste 1 hectare.


Er is geen sprake van voorzieningen ten dienste van vrijetijd en zorg.


Conclusie relatie met voorliggend plan

Deze uitgebreide toetsing aan de provinciale interim omgevingsverordening vormt een belangrijk toetsingskader voor dit bestemmingsplan. Op de eerste plaats is gekeken naar het kaartmateriaal dat onderdeel uitmaakt van de verordening. Hieruit is gebleken dat de locatie niet is gelegen in een gebied waarvoor rechtstreeks werkende regels gelden die in de weg staan van dit plan.

Uit de toetsing aan de planregels blijkt dat het plan voldoet aan de basisprincipes van de verordening omtrent zorgvuldig ruimtegebruik, de lagenbenadering en meerwaardecreatie.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Omgevingsvisie Veldhoven Stad van dorpen in het hart van de Brainport

Op 8 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Veldhoven de 'Omgevingsvisie Veldhoven, Stad van dorpen in het hart van de Brainport' vastgesteld. In deze omgevingsvisie geeft de gemeente aan waar op ingezet wordt bij de ontwikkeling van Veldhoven tot 2040. Deze visie geeft hiermee richting en kaders aan voor toekomstige ontwikkelingen, initiatieven en beleid.

Op basis van drie kernopgaven wordt beschreven waar de gemeente voor staat tot 2040. Deze drie kernopgaven vormen samen de ruimtelijke koers voor Veldhoven:

  • 1. Investeren in stedelijke en dorpse kwaliteiten
  • 2. Verder bouwen aan de innovatieve en bereikbare maakstad
  • 3. Werken aan een duurzame en gezonde leefomgeving

In de omgevingsvisie zijn per kernopgave een aantal strategische keuzen bepaald. Zo is er op basis van de kernopgaven bijvoorbeeld gekozen voor een sterk stedelijke structuur, het citycentrum als bruisend en multifunctioneel hart, het behoud van een herkenbare dorpse structuur, het werken aan gezonde wijken, het verduurzamen van de gebouwde omgeving en het werken naar toekomstbestendige woonwijken en werkmilieus. Omdat wordt gestreefd naar een zo inzichtelijk en voorspelbaar beleid in de omgevingsvisie is er een gebiedsgerichte vertaling van deze strategische keuzes in de omgevingsvisie opgenomen. In deze gebiedsgerichte vertaling zijn de integrale ambities voor een gebied op een rij gezet. Zo is per gebied de karakterisering en opgave verwoord en zijn de kaders waarbinnen ontwikkelingen plaats mogen vinden weergegeven.

De locatie van de ontwikkeling ligt in een gebied dat als buitengebied is aangeduid. Hierover is in de omgevingsvisie aangegeven dat de gemeente het buitengebied niet op slot zet, maar wil inzetten op gebiedseigen ontwikkeling met behoud van de landschappelijke en natuurlijke kwaliteit. Hierbij is het zoeken naar een balans tussen natuur- en gebruikswaarde. Het versterken van de kwaliteit en biodiversiteit van deze landschappen staat daarbij voorop, wat per landschapstype vraagt om maatwerk.

Planspecifiek

Het plangebied ligt in beekdal De Run. In figuur 4 is de ligging van het plangebied met een rode ster aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0004.png"

Figuur 4: Ruimtelijke vertaling Kernopgave ‘Werken aan een duurzame en gezonde leefomgeving’

In de beekdalen zet de gemeente in op natuurontwikkeling in combinatie met klimaatadaptatie en ruimte voor kleinschalige recreatie. Het gebied ten zuiden van de A67, met de beekdalen De Run en De Dommel, heeft een functie als uitloopgebied voor het stedelijk gebied. Tegelijkertijd is dit ook de enige plek in Veldhoven waar windenergie kan worden opgewekt. Over de gewenste uitwerking moet nog een keuze worden gemaakt.

In de gebiedskaders voor het buitengebied is aangegeven dat kwaliteitsverbetering en versterking van het landschap en de biodiversiteit voorop staat, waarbij verstening wordt tegengegaan.

Om het buitengebied leefbaar te houden en een bijdrage te leveren aan het versterken van de omgevingskwaliteit faciliteert de gemeente herbestemmingen van voormalige agrarische bebouwing en kleinschalige ontwikkelingen in de verbrede landbouw, zoals zorgboerderijen en recreatieve activiteiten.

Conclusie relatie met voorliggend plan

Onderdeel van het plan is de landschappelijke inpassing van de nieuwbouw in de omgeving. Met de aanplant van groen in de vorm van bomen en kruidenrijk grasland wordt een bijdrage geleverd aan het versterking van het landschap en de biodiversiteit.

De locatie aan de Riethovensedijk 8 is van oorsprong een agrarische bedrijfslocatie. De herbestemming heeft bij een eerdere bestemmingsplanherziening al plaatsgevonden. Omdat de aanwezige voormalige agrarische bedrijfsgebouwen incourant zijn voor opslag- en stallingsdoeleinden, wordt door middel van het voorliggende bestemmingsplan aan initiatiefnemer de mogelijkheid geboden om één courant nieuw bedrijfsgebouw te realiseren. Op deze manier draagt het plan bij aan de leefbaarheid van het buitengebied. Het plan is derhalve in overeenstemming met de Omgevingsvisie van de gemeente.

2.3.2 Ambitiedocument 'Samen voor ruimtelijke kwaliteit'

Op 14 mei 2019 is het Ambitiedocument ‘Samen voor ruimtelijke kwaliteit’ door de gemeenteraad vastgesteld. Met het ambitiedocument poogt de gemeente Veldhoven op een hedendaagse manier invulling te geven aan sturing op ruimtelijke kwaliteit. Het doel is de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente Veldhoven te benoemen, te waarborgen en te verbeteren. In het ambitiedocument worden de vier Veldhovense kernwaarden beschreven:

  • 1. Sterk stedelijke structuur
  • 2. Blijvend herkenbare dorpsstructuren
  • 3. Zorgvuldig opgezette ontwikkelgebieden
  • 4. Aantrekkelijke woonwijken

Het buitengebied kan ook gezien worden als een “wijk” met een herkenbaar beeld. Ook hier geldt dat bij verbouwingen gekeken wordt naar de bestaande kwaliteit. Het ontwerp dient deze kwaliteit te respecteren.

Om de kernwaardes goed tot uiting te laten komen, nodigt de gemeente initiatiefnemers uit om met mooie plannen te komen. Voor de bouwplannen die niet vergunningsvrij zijn en niet in het achtererfgebied liggen, geeft de gemeente 5 architectuurprincipes mee om te inspireren en om op terug te kunnen vallen. Deze principes maken inzichtelijk wat van belang is om ervoor te zorgen dat een bouwwerk van voldoende ruimtelijke kwaliteit is

  • a. Relatie tussen bouwwerk en omgeving
  • b. Samenhang vormgeving, functie en constructie
  • c. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit
  • d. Schaal en maatverhoudingen
  • e. Materiaal, textuur, kleur en licht.

Naast de 5 architectuurprincipes is duurzaamheid een belangrijke factor bij de ontwikkeling van bouwplannen, zowel bij de gebouwen als de inrichting van de omgeving.

De beoogde ontwikkeling binnen het plangebied, zoals beschreven in paragraaf 3.1 en 3.2 is passend binnen de kaders van het ambitiedocument ‘Samen voor ruimtelijke kwaliteit’. Bij de positionering en het ontwerp van de nieuwe loods zal worden getracht de 5 architectuurprincipes zoveel als mogelijk is toe te passen.

De relatie tussen de bebouwing en de omgeving krijgt vorm door de inpassing van de gebouwen in het groen. De precieze keurstelling en materiaalgebruik krijgen vorm bij het uitwerken van het bouwplan voor de loods. De nieuwe lood krijgt in ieder geval een zadeldak en zal qua nokrichting en vormgeving aansluiten bij de bestaande bebouwing.

De toetsing van het bouwplan door welstand zal uiteindelijk plaatsvinden in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag van de loods.

Met de sloop van de vijf veroudere gebouwen en de sanering van de mestkelder wordt verrommeling van het landschap voorkomen.

Daarnaast stimuleert de gemeente initiatiefnemers in een vroegtijdig stadium duurzaamheidsmaatregelen integraal onderdeel te laten uitmaken van het ontwerp. Hieraan wordt tegemoet gekomen omdat initiatiefnemer zonnepanelen zal toepassen op de nieuwe loods.

Conclusie relatie met voorliggend plan

Bij het ontwerp van de nieuwe loods zullen uitdrukkelijk de 5 architectuurprincipes mee worden genomen in het ontwerp. Het dak van de loods zal worden voorzien van zonnepanelen. De sloop van de verouderde gebouwen en de landschappelijke inpassing maakt dat wordt aangesloten bij de doelstellingen van het ambitiedocument.

2.3.3 Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorzieningen

De drie Brabantse Veiligheidsregio's (Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, Veiligheidsregio Brabant-Noord en Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost) hebben in 2016 uniforme beleidsregels vastgesteld ten aanzien van bereikbaarheid en bluswatervoorzieningen. Het doel van de beleidsregels is een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening te waarborgen, zodat de Veiligheidsregio's in staat zijn adequate brandweerzorg te leveren.

De beleidsregels bieden oplossingsrichtingen waarmee invulling kan worden gegeven aan de doelvoorschriften die de Veiligheidsregio's hebben gesteld. Indien wordt voldaan aan de beleidsregels, kan er vanuit worden gegaan dat een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening wordt gerealiseerd. In de beleidsregels zijn onder andere regels opgenomen met betrekking tot de inrichting van wegen en de bereikbaarheid van gebieden die niet via de openbare weg worden ontsloten. Daarnaast is aangegeven aan welke eisen een bluswatervoorziening dient te voldoen om de brandweer in staat te stellen een brand effectief te bestrijden. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan deze beleidsregels.

De veiligheidsregio zal in het kader van de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouw van de nieuwe loods, toetsen of er wordt voldaan aan alle bepalingen in de beleidsregels op dit punt.

Ten opzicht van de bestaande gebouwensituatie is de nieuwe situatie, waarbij 5 kleinere gebouwen worden vervangen door één nieuw gebouw, veel overzichtelijker. Dit ene gebouw is bovendien beter te bereiken dan de 5 kleinere gebouwen. De bebouwing is vanaf meerdere zijden goed bereikbaar en bovendien zijn er voldoende opstelplaatsen voor de brandweer op het erf.

Conclusie relatie met voorliggend plan

De beleidsregels Bereikbaarheid en bluswatervoorziening worden als afzonderlijk toetsingskader gehanteerd om nieuwe ontwikkelingen te beoordelen en behoeven geen doorwerking in de planregels van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 3 Beschrijving ontwikkeling

Voor het opstellen van een bestemmingsplan is het voor de beeldvorming goed dat de uitgangspositie in beeld wordt gebracht. In dit hoofdstuk volgt daarom eerst een beschrijving van bestaande situatie. Daarna wordt het plan toegelicht, waardoor duidelijk wordt hoe het plangebied er in de toekomst uit gaan zien.

3.1 Bestaande situatie

Ruimtelijke structuur

De gemeente Veldhoven is een gemeente in de Kempen, gelegen ten westen van Eindhoven, ten oosten van Eersel en ten noorden van Waalre. Veldhoven wordt ook wel ‘poort naar de Kempen’ genoemd, door haar ligging tussen Eindhoven in het oosten en het landelijke gebied van De Kempen in het westen.

Het kempenlandschap wordt gekenmerkt door een afwisseling tussen besloten bosgebieden en open (weide)gebieden. Aan de zuidzijde van de gemeente Veldhoven bevindt zich het weidse beekdallandschap van de Dommel, die ook door de gemeente Eindhoven stroomt van akkercomplexen op hoge overgangen naar dekzandruggen. Dit is nog te herleiden uit de vele boerenerven langs oude linten. Het zuiden van de gemeente is gescheiden van de rest van de gemeente door de autosnelweg A67. Het westen en zuiden van de gemeente heeft nog een agrarisch landschap, waarin zich de beekdalen van de Run, de gender, de Poelenloop en de Bruggenrijt bevinden.

Bebouwing Riethovensedijk 8

De locatie aan de Riethovensedijk 8 in Veldhoven is een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De bestemming is bij een eerdere herziening van het bestemmingsplan gewijzigd in 'Bedrijf-1' met de functieaanduiding 'caravanstalling'.

In de huidige situatie heeft initiatiefnemer de beschikking over de volgende bebouwing (zie figuur 5).


afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0005.png"

Figuur 5: huidige bebouwingssituatie

Het betreft de volgende bebouwing:

1. bedrijfswoning met aanbouwen;
2. garage / hobbyruimte / opslag derden (303 m2);
3. voormalige stal (227 m2);
4. voormalige stal (56,6 m2);
5. opslagruimte (70,2 m2);
6. kapschuur (330 m2);
7. Mestkelder (53,3 m2);
8. voormalige stal (90,7 m2);

De totale oppervlakte aan bebouwing bedraagt 1.130,80 m2. De nokrichting van de grootste schuren is haaks op de weg.

Het perceel heeft toegangen. De meest noordelijke inrit wordt met name gebruikt door het gemotoriseerd verkeer. Langs deze inrit staan amberbomen. De andere toegang wordt voornamelijk gebruikt als privé toegang. In figuur 6 is een weergave van de locatie afgebeeld gekeken vanaf de openbare weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0006.png"

Figuur 6: aanzicht locatie Riethovensedijk 8 vanaf de weg

Bouw- en bestemmingsvlak

In figuur 7 is met een rode stippellijn de begrenzing van het bouwvlak weergegeven zoals die in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2009' is opgenomen. De gebouwen 1 t/m 6 ligging binnen de grenzen van het bouwvlak. De mestkelder en de voormalige stal 8 vallen hier buiten. Het bouwvlak heeft in het geldende bestemmingsplan een oppervlakte van circa 1.685 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0007.png" 7

Figuur 7: bouwvlak bestaand

Het vlak met de bestemming 'Bedrijf -1' ligt voor een deel op de gebouwen en het bijbehorende erf en voor een deel op de gronde die hier ten noorden van liggen. In figuur 8 is deze bestemming paars gemarkeerd aangegeven. De oppervlakte van de bestemming 'Bedrijf-1' is circa 8.600 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0008.png"

Figuur 8: bestemmingsvlak 'Bedrijf-1' bestaand

3.2 Toekomstige situatie

Sloop

Initiatiefnemer heeft bij de gemeente het verzoek ingediend om verouderde incourante bebouwing te slopen / op te ruimen en hiervoor in de plaats een nieuw courant gebouw terug te bouwen.

In figuur 9 is rood gearceerd weergegeven welke bebouwing gesloopt gaat worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0009.png"

Figuur 9: te slopen bebouwing

De sloop bestaat uit in totaal 5 schuren met een oppervlakte van 774,50 m2 en de mestkelder van 53,3 m2. De bedrijfswoning en de schuur van 303 m2, welke aan de woning is verbonden, blijven buiten de sloop.

De intentie van initiatiefnemer is om de te handhaven schuur los te koppelen van de woning door 6 meter van deze schuur te slopen. De open ruimte tussen de woning en de schuur in de nieuwe situatie wordt ingericht als tuin. Aan de achterzijde wil initiatiefnemer deze schuur met 6 meter verlengen zodat de oppervlakte gelijk blijft.

Nieuwbouw, bouwvlak en parkeren

Deels op de plek van de bestaande kapschuur zal een nieuwe loods worden gebouwd met een oppervlakte van 800 m2. De loods zal een nokhoogte krijgen van circa 8,8 meter en een goothoogte van 5 meter. Zie voor de positionering en de dwarsdoorsnede van de nieuwe loods figuur 10.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0010.png"

Figuur 10: nieuwbouw loods van 800 m2

De nokrichting van de loods is gelijk aan de nokrichting van de kapschuur die wordt gesloopt. Door een nokrichting haaks op de weg te hanteren wordt bewerkstelligd dat het erf compact blijft.

In afbeelding 10 is door middel van een rode stippellijn de nieuwe ligging van het bouwvlak weergegeven. De bestaande bebouwing en de nieuwe loods vormen de rand van het bouwvlak. Het bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 2.200 m2.

Conform de systematiek van het bestemmingsplan Buitengebied 2009 dient parkeren plaats te vinden binnen het bouwvlak. Om het parkeren van de bezoekers aan de locatie uit het zicht te doen, is ervoor gekozen de parkeerplaatsen te realiseren achter de te handhaven schuur.

Landschappelijk inpassing

Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van zowel het erf als de nieuwe loods is een inpassingsplan opgesteld. In figuur 11 is de weergave van de landschappelijke inpassing opgenomen. De bestaande bomen en het huidige aanwezige groen op het perceel blijft maximaal gehandhaafd. De landschappelijke inpassing van het perceel wordt versterkt door de aanplant van een houtsingel van 8 meter breed rondom een aanzienlijk deel van het perceel. In verband met uitzicht vanuit de bedrijfswoning is ervoor gekozen aan de wegzijde de inpassing vorm te geven door middel van een aantal solitaire bomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0011.png"

Figuur 11: landschappelijke inpassing


Houtsingel

De houtsingel is opgebouwd uit een zoom aan de buitenzijde met een breedte van 2 meter bestaande uit kruidachtige beplanting. Aan de zoom grenst een mantel van 3 meter breedt bestaande uit heesters met een hoogte van circa 3 meter. De kernzone van 3 meter bestaat uit hogere heesters en bomen.

Aan de achterzijde van de nieuwe loods en de aan te leggen parkeerplaatsen is een opening tussen de bomen gelaten om een zichtlijn naar het achterliggende landschap te creëren.

Kruidenrijk grasland

De Riethovensedijk is gelegen in het beekdallandschap. Dit landschap wordt gekenmerkt door kleinschaligheid en variatie. Om dit terug te laten komen op het erf wordt aan de zuidzijde van het perceel, op de locatie van de gesloopte gebouwen, vochtig hooiland toegepast. Dit zijn kruidenrijke vegetaties die van oorsprong veel voorkomen in het Beekdallandschap.

Het landschappelijk inpassingsplan is als Bijlage 4 aan de regels toegevoegd. Hierin zijn ook de soorten opgenomen die toegepast kunnen worden in het aanplant van de houtsingel.


Bestemmingslegging

In de nieuwe situatie wordt ligging van de bestemming 'Bedrijf-1' gewijzigd ten opzichte van de situatie zoals die in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009' vast ligt. In de huidige situatie ligt deze bestemming over een lengte van gemiddeld 125 meter langs de weg. In de nieuwe situatie wordt een meer compactere bestemming 'Bedrijf-1' opgenomen. Zie ook figuur 12. Bovendien neemt de oppervlakte van deze bestemming af van circa 8.600 m2 naar circa 6.200 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0012.png"

Figuur 12: bestemmingslegging

De bestemming van het noordelijk deel van het plangebied wordt gewijzigd in 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden'.

Hoofdstuk 4 Milieuhygiënische en planologische verantwoording

In de toelichting op het bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Ook komen alle relevante overige ('niet-milieutechnische') planologische aspecten aan bod.

4.1 Bodem

Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht.

Wanneer een ontwikkeling geen bestemmingswijziging tot gevolg heeft, hoeft er geen bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan uitgevoerd te worden; de bodem wordt in dat geval geschikt geacht voor de toegestane functie. Het bodemonderzoek wordt in die gevallen uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen.

In de voorliggende situatie is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek vanwege de functiewijziging van delen van het plangebied en de aanwezigheid van verdachte locaties (o.a. druppelzone van asbesdaken) wél noodzakelijk.

Door Lycens B.V. is een milieuhygiënische vooronderzoek bodem uitgevoerd conform de NEN 5725. Door adviesbureau M&A Bodem & Asbest is aanvullend een verkennend bodemonderzoek inclusief aanvullend vooronderzoek uitgevoerd conform NEN 5707 en NEN 5725. De bodemrapporten (rapportnummer 2022-0722, d.d. 21 december 2022 en rapportnummer 223-VRi8-voa-v1, d.d. 2 juni 2023) zijn bijgevoegd als bijlage 1 en 2 bij deze toelichting.

Vooronderzoek

Op basis van het vooronderzoek zijn de drupzones van 5 gedeelten van de daken van de stallen aangemerkt als voor asbest verdachte deellocaties. Niet bekend is of deze golfplaten waren gecoat, zodat voor de volledigheid de drupzones ook als PCB-verdacht worden aangemerkt.

Het ontgraven terreingedeelte, waar sprake was van puin en mogelijk asbest, is reeds aangevuld met grond en de originele bovengrond is niet meer aanwezig. Daarom wordt dit gedeelte opnieuw geïnspecteerd.

Op basis van het historisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat de hypothese "diffuus belast locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging op schaal van de monsterneming" voor de dakgedeelten van de stallen kan worden gesteld.

Bodemonderzoek

Op 1 mei 2023 is het maaiveld rond de bebouwing ter plaatse visueel geïnspecteerd. Hierbij is de locatie kruislings in stroken van 1,5 meter geïnspecteerd. Bij de maaiveldinspectie zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Ook het ontgraven deel van het terrein dat weer aangevuld is met geschikte grond, is opnieuw geïnspecteerd. Bij de inspectie is gebruik gemaakt van een hark om de eerste centimeters van de bodem los te maken. Tijdens de inspectie was de toplaag vrij van objecten en werd het vochtgehalte als normaal ingeschat (ongeveer 10%).

Uit de resultaten van de analyse blijkt dat de concentratie asbest in de drupzones lager is dan de detectielimiet voor asbest. Dit betekent dat er geen verder onderzoek noodzakelijk is.

Op de locatie zijn tevens boringen geplaatst in de drupzone ter analyse op PCB’s. Uit deze analyses volgt dat er geen verhogingen met PCB’s zijn aangetroffen.

Conclusie met betrekking tot het plangebied

Gezien de analyseresultaten en de interpretatie hiervan dient de hypothese “diffuus belaste locatie met heterogeen verdeelde verontreinigingen op schaal van de monsterneming” te worden verworpen, gezien het feit dat geen verhogingen met asbest in de grond bij de drupzones zijn geconstateerd.

Uit de resultaten van de analyse blijkt dat de concentratie asbest in de drupzones lager is dan de detectielimiet voor asbest. Dit betekent dat er geen verder onderzoek noodzakelijk is.

Op de locatie zijn tevens boringen geplaatst in de drupzone ter analyse op PCB’s. Uit deze analyses volgt dat er geen verhogingen met PCB’s zijn aangetroffen.

Geconcludeerd wordt dat er bij de drupzones geen verontreinigingen met asbest of PCB’s in de bodem zijn geconstateerd. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijzing.

4.2 Geluid

Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidgevoelig object moet worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In de Wet geluidhinder is bepaald hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen.

In de Wet geluidhinder (Wgh) is geregeld dat bepaalde wegen, spoorwegen en bedrijven(terreinen) een zone hebben. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.

Wegverkeerslawaai

Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) heeft elke weg een geluidszone, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt.

Het betreft in dit geval een bestaand niet-agrarisch bedrijf met 1 bedrijfswoningen. Er wordt met het planvoornemen geen nieuw geluidgevoelig object toegevoegd. Er is in dit geval geen akoestisch onderzoek noodzakelijk.

Industrielawaai

De locatie ligt niet in de nabijheid van een bedrijf of (geluidgezoneerd) bedrijventerein.

Spoorweglawaai

Het plangebied ligt op ruim 7,5 kilometer van de spoorlijn tussen Eindhoven en Boxtel. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen de geluidzone van de spoorlijn. Het aspect railverkeerslawaai is dan ook niet aan de orde op onderhavig plan.

Luchtvaartlawaai

Het plangebied ligt op hemelsbreed circa 6,25 km van de luchthaven Eindhoven. Dit is een militair vliegveld met medegebruik door de burgerluchtvaart (Eindhoven Airport). Vanaf 1 november 2009 geldt de Wet luchtvaart. Deze wet omvat een nieuw stelsel van besluitvorming en normen voor alle luchthavens, met uitzondering van Schiphol. Conform de systematiek van deze wet is voor luchthaven Eindhoven één luchthavenbesluit vastgesteld met een militaire geluidsruimte voor militair vliegverkeer en een burgergeluidsruimte voor het commercieel burgermedegebruik. Het luchthavenbesluit is op 26 september 2014 vastgesteld. Met dit besluit is de 35Ke-geluidszone rond de luchthaven vastgelegd als grens van de geluidsbelasting van het gezamenlijke militaire en civiele vliegverkeer. Het plangebied ligt niet binnen deze vastgestelde geluidszone (35Ke-contouren). Deze geluidszone werkt daarom niet belemmerend voor onderhavig plangebied.

Conclusie met betrekking tot het plangebied

De aspecten industrie-, spoorweg- en luchtvaartlawaai vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling voorziet verder niet in de realisatie van een geluidgevoelig object.

4.3 Luchtkwaliteit

Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:

  • een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit
  • ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven
  • een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht
  • een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit)

De uitwerking van het begrip 'niet in betekende mate' staat in het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is volgens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeerverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'.

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)

Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter.

Goede ruimtelijke ordening

Naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' dient altijd te worden onderzocht of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het principe van een 'goede ruimtelijke ordening' blijft naast toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' en het 'Besluit gevoelige bestemmingen' onverkort gelden. De Wet ruimtelijke ordening (Wro), art. 3.1, schrijft voor dat een bestemmingsplan moet voldoen aan de criteria voor goede ruimtelijke ordening. Die verplichting heeft in dit verband betrekking op situaties waarop het Besluit gevoelige bestemmingen niet ziet, maar die vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening onwenselijk zijn, bijvoorbeeld de bouw van woningen langs een snelweg, of de bouw van een school langs een drukke binnenstedelijke weg.

Beoordeling plan

NIBM

Met behulp van de NIBM-rekentool is de verslechtering van de luchtkwaliteit ten
gevolge van het plan berekend. Een plan is ‘in betekenende mate’ wanneer de toename van de luchtverontreiniging (NO2 of PM10) meer is dan 1,2 ug/m³. Wanneer een plan ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtkwaliteit, is toetsing van het plan aan de grenswaarden op grond van de Wm niet noodzakelijk.

Bij het opstellen van de NIBM-rekentool is uitgegaan van een worst case situatie: bij de berekening van de concentratietoename zijn de kenmerken van het verkeer, de straat en de omgeving zo gekozen dat een situatie ontstaat met een maximale luchtverontreiniging.

Het planvoornemen heeft effect op de luchtkwaliteit vanwege een verwachte toename van het verkeer van en naar de locatie. De verkeersgeneratie zal echter gering zijn omdat de locatie in de bestaande situatie ook al de bedrijvenbestemming heeft en de aanwezige bedrijfsruimte deels wordt verhuurd. Door de nieuwbouw zal de verhuurbare ruimte worden vergroot, waardoor het aantal verkeersbewegingen zal toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Verwacht wordt dat de ten hoogste 10 extra verkeersbewegingen per dag zullen zijn, waarvan het aandeel vrachtverkeer ten hoogste 10% bedraagt.

Uit de berekening met de NIBM-rekentool (zie onderstaand) blijkt dat de bijdrage van het planvoornemen aan de luchtveronreiniging kleiner is dan de NIBM-grens van 1,2 ug/m³. Hierdoor zal het plan niet ‘in-betekenende-mate’ (IBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de grenswaarden is op basis van de Wm dna ook niet noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0013.png"

Luchtkwaliteit

De Atlas Leefomgeving maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen nabij het plangebied ver onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De NO2 concentratie bedraagt 15 microgram/m3 (2019) en fijnstofconcentratie bedraagt 17 microgram/m3 (2019).

De luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoet ruim aan de norm. De ontwikkelingen die als gevolg van het plan mogelijk worden gemaakt, te weten de bouw van een nieuwe loods, zal resulteren in een (kleine) toename van het aantal vervoersbewegingen van en naar het bedrijf. Dit omdat in de nieuwe situatie initiatiefnemer meer courante verhuurbare ruimte heeft. Deze toename zal echter “niet in betekenende mate” bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.

Het provinciaal beleid geeft aan dat de fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten maximaal 31,2 µg/m³ mag bedragen. Op voorhand kan worden gesteld dat ruim aan deze norm voldaan wordt gezien de achtergrondconcentratie van 17 microgram/m3. Een (kleine) toename van het aantal vervoersbewegingen zal beneden NIBM grens van 1,2 microgram/m3 blijven waardoor ook de norm van de provincie niet overschreden zal worden.

Op grond van de Wet luchtkwaliteit bestaat geen aanleiding voor een nader onderzoek naar luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Conclusie met betrekking tot het plangebied

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.4 Bedrijven en milieuzonering

n het kader van een goede ruimtelijke ordening dient tussen kwetsbare of gevoelige objecten, zoals een woning, en bepaalde functies en bedrijven voldoende afstand te worden gehouden. Deze afstand is enerzijds nodig om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object niet aan te tasten, anderzijds is deze afstand nodig om het bedrijf of de functie niet te beperken in de betreffende (bedrijfs)activiteiten. Als uitgangspunt worden de richtafstanden uit publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) genomen. In de VNG-publicatie is voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar een richtafstand gegeven, waarbij de grootste richtafstand leidend is.

De VNG maakt onderscheid tussen de omgevingstypen 'Rustige woonwijk / rustig buitengebied' en 'Gemengd gebied'. Bij het eerste type is duidelijk sprake van functiescheiding. Bij het tweede is sprake van functiemenging en komen direct naast woningen ook andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. Volgens de VNG-publicatie behoren gebieden, die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, eveneens tot omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de hogere milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

In de VNG-publicatie is aangegeven dat wanneer er sprake is van een 'gemengd gebied', de richtafstand met één afstandsstap mag worden verminderd. Dat wil zeggen dat een oorspronkelijke richtafstand van 30 meter wordt verminderd naar 10 meter en een oorspronkelijke richtafstand van 10 meter wordt verminderd naar 0 meter.

Beoordeling plan

De verhuur van opslagruimte valt in categorie 2 van de VNG-publicatie (sbi-2008 code 52109. Hiervoor gelden de volgende richtafstanden:

  • voor het aspect ‘geurhinder’ => 0 meter,
  • voor het aspect ‘stofhinder’ => 0 meter,
  • voor het aspect ‘geluidhinder’ => 30 meter,
  • voor het aspect ‘gevaar’ => 10 meter.

De richtafstanden volgens de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gelden
tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De afstand tussen het bouwvlak van de inrichting aan Riethovensedijk 8 en het bouwvlak aan de Riethovensedijk 12 bedraagt circa 190 meter. Deze afstand is groter dan de 30 meter waardoor aan alle richtafstanden wordt voldaan.

Geluidhinder en gevaar vanuit de inrichting worden daarom niet verder onderzocht. Het aspect fijnstof is reeds in paragraaf 4.3 besproken en het aspect geur wordt beoordeeld in paragraaf 4.6.

Conclusie met betrekking tot het plangebied

Vanuit het oogpunt van het aspect bedrijven en milieuzonering kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd ter plaatse van het plangebied. Omgekeerd vormt het plan geen belemmering voor de bedrijfsvoering- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen niet-woonfuncties en bedrijven. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt dan ook geen beperking voor dit plan.

4.5 Externe veiligheid

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten is verbonden voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen.

Het veiligheidsbeleid in Nederland is gebaseerd op een tweetal begrippen, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR):

  • Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute of nabij een inrichting verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer, de opslag en/of de handeling van gevaarlijke stoffen. Daarbij is de omvang van het risico een functie van de afstand waarbij geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De risico's worden weergegeven in PR risicocontouren.
  • Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute of een inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde kan gezien worden als een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag wordt gemotiveerd.

Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin de Basisnetten voor weg, spoor en water zijn vastgelegd. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Beoordeling plan

In de omgeving van het plangebied zijn diverse risicobronnen gelegen. Dit is weergegeven in figuur 13.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0014.png"

Figuur 13: uitsnede risicokaart (plangebied bij rode druppel)

Inrichtingen

Uit de beoordeling risicokaart blijkt dat de dichtstbijzijnde risicovolle inrichting ten westen van het plangebied ligt. De betreft de locatie aan de Gagelgoorsedijk 15 in Veldhoven waar opslag plaatsvindt van propaan in een bovengrondse tank van 18 m3. Het invloedsgebied van de propaantank is met de rode lijn op de risicokaart aangegeven. Dit gebied ligt op ruime afstand van het plangebied. Andere risicovolle inrichtingen (o.a. hotel Koningshof -> opslagtanks tbv zmembad) liggen op grotere afstand.

Buisleidingen

Aan de zuid / zuidwestzijde van het plangebied is een petrochemische buisleiding aanwezig. Deze leiding is in beheer is bij de Petrochemical Pipeline Services (PPS). Het betreft een brandstofleiding met een diameter van 8 inch en een werkdruk van 80 bar, waardoor naftaleen wordt getransporteerd. Op grond van het Bevb geldt voor deze leiding een belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden van de leiding. Deze belemmeringenstrook ligt niet binnen het plangebied van dit bestemmingsplan. Voor de PRB-leiding geldt een PR 10-6 contour van 12 m aan weerszijden van de leiding, die ook niet binnen de plangrens ligt. Het invloedsgebied voor het groepsrisico (1% letaliteit) heeft een breedte van 31 m aan weerszijden van de leiding. Het plangebied ligt op circa 483 meter afstand van deze leiding. Er is daarom binnen het plangebied geen sprake van een relevant groepsrisico.

Transport gevaarlijke stoffen

Ten noorden van het plangebied ligt, op een afstand van ca 1,3 kilometer, een autosnelweg die onderdeel uitmaakt van het Basisnet transport gevaarlijke stoffen. Dit betreft de snelweg A 67 tussen Eindhoven en de Belgische grens. Uit de 'Eindrapportage Basisnet Weg' volgt dat de plaatsgebonden risicocontour 10-6 voor deze weg 27 meter is. Het plangebied ligt hier ruimschoots buiten. Ook het invloedsgebied van deze weg valt buiten het plangebied.

Standaardadvies veiligheidsregio

De veiligheidsregio adviseerde tot voor kort altijd op maat bij ruimtelijke plannen waarin externe veiligheid relevant is. De ervaring leert dat voor bijvoorbeeld ontwikkelingen op grotere afstanden tot risicobronnen de veiligheidsregio standaard dezelfde adviezen gaf. Om het de gemeente en de veiligheidsregio gemakkelijker te maken, kan gebruik worden gemaakt van een standaardadvies bij bepaalde ontwikkelingen.

Gezien de grotere afstanden van het planvoornemen tot risicobronnen kan in het voorliggende geval worden volstaan met het standaard advies. Dit beschrijft de mogelijkheden van zelfredzaamheid van gebruikers in het plangebied en de bestrijdbaarheid van een incident en hoe beide kunnen worden verbeterd.

Initiatiefnemer zal met omwonenden van het plangebied communiceren over de risico's van de gevaarlijke stoffen. Bij een incident zal worden aangegeven dat van de risicobron af gevlucht moet worden. Dit bevordert de zelfredzaamheid van omwonenden. Dit advies geldt ook voor bedrijfshulpverleningsorganisaties.

Ten aanzien van de bereikbaarheid en bluswatervoorziening past initiatiefnemer de beleidsregels van VRBZO toe. Dit resulteert in een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening.

Conclusie met betrekking tot het plangebied

Het aspect externe veiligheid vormt dan geen belemmering voor onderhavig plan.

4.6 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij betreft een wet waarmee de nationale regels inzake geurhinder te opzichte van de tot de veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld zijn. De Wet geurhinder en veehouderij heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van de geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Met de in de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen grenswaarden moet rekening gehouden worden bij beslissingen in het kader van de Wet milieubeheer. Nieuwe knelpunten moeten worden voorkomen.

In de Wet geurhinder een veehouderij zijn grenswaarden opgenomen voor de geurbelasting die een veehouderijbedrijf op en geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning) mag veroorzaken. Tevens gelden volgens de wet minimale afstanden tot woningen van derden. De grenswaarden worden weergegeven in odour units per vierkante meter lucht (ouE/m3). Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen de ligging van een veehouderijbedrijf binnen of buiten de concentratiegebieden en de ligging van de veehouderijbedrijven binnen of buiten de bebouwde kom.

De gemeente Veldhoven heeft de 'Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Veldhoven' vastgesteld. Deze verordening is op 20 mei 2008 in werking getreden. De gemeente Veldhoven heeft in de bijbehorende 'Gebiedsvisie t.b.v. de verordening geurhinder en veehouderij' voor de bebouwde kom een streefwaarde voor de achtergrondbelasting opgenomen van 10 ouE/m3 . Dit leefklimaat kan als redelijk goed worden bestempeld. De gemeentelijke geurverordening stelt geen afwijkende geurnorm voor de voorgrondbelasting. Derhalve geldt ter plaatse een geurnorm van 3 ouE/m3 voor de voorgrondbelasting.

Beoordeling plan

Binnen het plangebied worden geen nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk gemaakt. Het dichtstbijzijnde bedrijf waar dieren werden gehouden was de locatie aan de Riethovensedijk 12 in Veldhoven. Dit bedrijf is echter gestopt met het houden van vee. Omdat de bestemming van deze locatie is gewijzigd in 'Bedrijf-1' is het juridisch-planologisch ook niet mogelijk om de veehouderij in de toekomst weer op te starten.

Aan de Volmolenweg 16 in Veldhoven is de dichtstbijzijnde veehouderijlocatie gesitueerd waar melkvee wordt gehouden. Dit betreft een grondgebonden veehouderijbedrijf. Het bouwvlak van deze locatie ligt op circa 300 meter uit het plangebied.

Voor melkvee gelden vast (geur) afstanden. Voor geurgevoelige objecten binnen de bouwde kom is dit 100 meter en buiten de bebouwde kom is dit 50 meter. Het plangebied ligt in het buitengebied. geconcludeerd wordt dat ruim aan de afstand van 50 meter wordt voldaan.

Conclusie met betrekking tot het plangebied

Het aspect geur vormt dan geen belemmering voor onderhavig plan.

4.7 Archeologie en cultuurhistorie

4.7.1 Archeologie

Wettelijk en beleidsmatig kader

De omgang met het archeologisch erfgoed is geregeld in de Erfgoedwet (2016). Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische resten, indien een bestemmingsplan dat voorschrijft. De gemeente heeft vanuit haar archeologiebeleid voorwaarden opgesteld ten aanzien van de omgang met het archeologisch erfgoed. Deze zijn in het bestemmingsplan weergegeven als een dubbelbestemming Waarde-Archeologie met daaraan gekoppelde ondergrenzen onderzoeksplicht.

De gemeente Veldhoven beschikt over een Archeologische beleidsadvieskaart van datum 10 maart 2014. Het plangebied bevindt zich in een zone waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt (categorie 4). Zie ook figuur 14. Voor gronden met deze verwachting geldt een ondergrens voor de onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 250 m² én dieper dan 0,4 m1). Als beide ondergrenzen worden overschreden, dient een archeologisch (voor)onderzoek plaats te vinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0015.png"

Figuur 14: Uitsnede Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Veldhoven (2014). Ligging plangebied binnen de globale blauwe contour.

Beoordeling plan

De nieuwe loods heeft een oppervlakte van 800 m2 en overschrijdt daarmee de ondergens voor de onderzoeksplicht. Echter zal geen verstoring optreden van de bodem dieper dan 0,4 m1 onder het oorspronkelijk maaiveld. De reden hiervan is dat de voormalige agrarische bedrijfslocatie van initiatiefnemer in de jaren '60 als ruilverkavelingsboerderij is gebouwd. Het erf is destijds circa 50 cm opgehoogd. Op dit verhoogde erf zijn de gebouwen gerealiseerd.

De nieuwe loods komt deels op de plaats te staan van de te slopen kapschuur. De vloer van de nieuwe loods komt op dezelfde hoogte als de vloer van de (te slopen) kapschuur. Omdat de loods een grotere oppervlakte heeft dan de kapschuur, zal initiatiefnemer grond moeten aanvoeren.

Ten behoeve van de bouw van de nieuwe loods zal geen verstoring van de oorspronkelijke bodem plaatsvinden omdat de vloer van de loods circa 50 centimeter boven de ongeroerde oorspronkelijk bodem ligt. De fundering van de nieuwe loods raakt de ongeroerde bodem dieper dan 40 centimeter beneden het oosrponkelijk maaiveld niet.

Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de loods zal door middel van een gedetaileerde gemaatvoerde tekening van de fundering inzichtelijk worden gemaakt dat ondergrens van 0,4 m1 beneden het oorspronkelijk maaiveld niet wordt bereikt. Archeologisch (bureau) onderzoek zal daarom niet nodig zijn.

De sloop van de oude stallen/schuren kan ook uitgevoerd worden zonder nader archeologisch onderzoek aangezien tijdens de bouw van de oude stallen/schuren de bodem reeds is verstoord.

4.7.2 Cultuurhistorie

Nationaal staat het cultuurhistorisch beleid in het teken van het behoud en het beheer van de cultuurhistorische waarden. Op gelijke voet staat het streven naar het gebruik van het cultuurhistorisch erfgoed als inspiratiebron voor de ruimtelijke inrichting. Dit beleid geldt voor alle cultuurhistorische waarden, dat wil zeggen voor zowel archeologische als voor historisch-geografische en historisch bouwkundige waarden.

Cultuurhistorische waarden kunnen betrekking hebben op bebouwde cultuurhistorie (monumenten), cultuurhistorische landschappen en archeologische waarden van een gebied.

Aan de hand van de gemeentelijke Cultuurhistorische Waardenkaart uit 2012 (zie figuur 15) is bepaald welke cultuurhistorische waarden of elementen binnen of in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0016.png"

Figuur 15: CHW (plangebied ter plaatse van rode cirkel)

Uit deze kaart blijkt dat de Riethovensedijk valt onder de cultuurhistorische wegen en paden. Daarnaast ligt op circa 330 meter afstand ten zuidwesten van het plangebied historisch groen. De nieuwe loods wordt gebouwd op grote afstand van het historisch groen en sluit aan bij de huidige bebouwing. Voor het erf en de loods is een landschappelijk inpassingsplan gemaakt. Met de bouw van de nieuwe loods worden de historische wegstructuur en het historisch groen niet aangetast.

Conclusie met betrekking tot het plangebied

De aspecten archeologie en cultuurhistorie staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.8 Water

Doel van de waterparagraaf is de component water in een zo vroeg mogelijk stadium te adresseren in het besluitvormingsproces van ruimtelijke plannen. De paragraaf beschrijft de actuele waterhuishouding in het plangebied. Daarnaast wordt, binnen de gestelde randvoorwaarden van het bestemmingsplan, vastgelegd aan welke watereisen de ontwikkeling moet voldoen. Ruimtelijke plannen worden onder meer getoetst aan "hydrologisch neutraal" ontwikkelen conform landelijk en lokaal waterbeleid.

4.8.1 Waterrelevant beleid en regelgeving provincie en waterschap

Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021

Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP) zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Het PMWP staat voor:

  • voldoende water voor mens, plant en dier;
  • schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht);
  • bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico's;
  • verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.

Waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol Water'

Het waterbeheerplan 'Waardevol Water' beschrijft de doelen van Waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op de ontwikkeling van het Nationaal Waterplan, het Provinciaal Milieu en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheerplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.

Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's:

  • Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheergebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen);
  • Voldoende water: zowel voor de natuur als de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater;
  • Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen;
  • Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.

Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met alle partners in het gebied wil uitbreiden en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid.

Wat zijn de belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode?

  • Voldoende water voor landbouw en natuur
  • Wateroverlast en hittestress;
  • Kringloop denken;
  • Steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen;
  • Vergroten waterbewustzijn.

Het waterbeheerplan is te vinden op de website van het waterschap: www.dommel.nl.

Keur Waterschap de Dommel 2015

De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening.

De keur van het waterschap is van toepassing wanneer direct en indirect wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. De Keur is ook van toepassing als het oppervlaktewater niet in eigendom en beheer is van het waterschap.

Het plangebied ligt in het attentiegebied. De attentiegebieden vormen de buffer tussen de natte natuurparels en hun omgeving. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen natte natuurparels en omgeving opgevangen te worden. In deze attentiegebieden gelden restricties voor grondwateronttrekking. Bij de nieuwbouw van de loods wordt geen grondwater opgepompt, de hydrologische verschillen zullen door de bouw niet worden beïnvloed.

Ook ligt het plangebied buiten een waterbergingsgebied (zie figuur 16). Waterbergingsgebieden zijn gebieden die dienen om (tijdelijk) water te bergen teneinde overstromingen of andere wateroverlast te voorkomen en tegelijk watertekorten tegen te gaan. De bouw van de loods heeft geen gevolgen voor het nabijgelegen overstromingsgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0017.png"

Figuur 16: Waterbergingsgebieden (Bron: Waterschap de Dommel)

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 Maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m².

Het plan van initiatiefnemer voorziet niet in een toename aan verharding. Er wordt een nieuwe loods gebouwd met een oppervlak van circa 800 m². Hiertegen over staat de sloop van 5 bedrijfsgebouwen en het verwijderen van een mestkelder met een gezamenlijke oppervlakte van eveneens circa 800 m2.

4.8.2 Beleid en ambitie gemeente

Verbreed Gemeentelijk rioleringsplan 2015 - 2019 gemeente Veldhoven

Het waterbeleid van de gemeente Veldhoven is vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (2015-2019). De term Verbreed houdt verband met de wettelijke uitbreiding van de zorgplicht riolering. Volgens de wetgeving heeft de gemeente Veldhoven drie zorgplichten op het gebied van stedelijk waterbeheer:

  • zorgplicht stedelijk afvalwater;
  • zorgplicht hemelwater;
  • zorgplicht grondwater.

Dit komt er op neer dat de gemeente vanuit het oogpunt van volksgezondheid en veiligheid zorg draagt voor een deugdelijke inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen.

Ambitie gemeente afvoer van hemelwater

Als het regent in de gemeente Veldhoven verdwijnt het meeste hemelwater in de riolering. Door verandering van het klimaat wordt het bestaande rioolstelsel ook steeds zwaarder op de proef gesteld. Buien worden heviger en duren langer. Hierdoor neemt het risico op (grond)wateroverlast toe. Om droge voeten te houden wordt ruimte gecreëerd in het groen en/of oppervlaktewater. Hierbij wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: infiltreren (vasthouden) waar mogelijk, bufferen op locaties met voldoende beschikbare ruimte en als het niet anders kan, dan pas afvoeren. In openbaar gebied komt dit tot uiting door hemelwatervoorzieningen in groenstroken die geschikt zijn gemaakt voor de opvang van overtollig hemelwater en aanpassing van waterpartijen. De eigenaar draagt een steentje bij door op eigen terrein voorzieningen te treffen voor buffering en/of opslag van hemelwater en/of opvang van overtollig grondwater. De gemeente ziet hierbij toe op een doelmatige invulling van de hemelwateropgave.

Hydrologisch neutraal bouwen

Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem. Voor ontwikkelingen die dit negatief kunnen beïnvloeden, wordt daarom uitgegaan van de trits “vasthouden-bergen-afvoeren”. Dat wil zeggen dat water zoveel mogelijk in een gebied wordt vastgehouden door infiltratie en waar dit niet mogelijk is water tijdelijk wordt geborgen (retentie). Door water lokaal te infiltreren of te bergen in een voorziening wordt het versneld afvoeren van overtollig hemelwater naar het bestaande oppervlaktewatersysteem zoveel mogelijk voorkomen. Bij zeer grote neerslaghoeveelheden zal de genoemde voorziening het aangeboden water echter onvoldoende kunnen verwerken. Een noodoverloopconstructie kan er dan voor zorgen dat het overtollige water gecontroleerd naar een plek wordt afgevoerd waar het geen overlast kan veroorzaken.

Uitgangspunten hemelwaterafvoer bij herontwikkeling en nieuwbouw

Bij herontwikkeling en nieuwbouw binnen de gemeente Veldhoven wordt uitgegaan van het HNO-principe (Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen): het hemelwater wordt ter plaatse de bodem in geleid via hemelwater verwerkende voorzieningen zoals infiltratiekolken, bermen, wadi's en vijverpartijen. Bij nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen wordt de eigenaar gestimuleerd om het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Waar mogelijk worden voorzieningen gecombineerd met benodigde maatregelen in omringende wijken. Indien de lokale omstandigheden de verwerking van hemelwater in de bodem niet toelaten, wordt het afgevoerd naar het dichtstbijzijnde oppervlaktewater, conform de richtlijnen van het hydrologisch neutraal ontwikkelen.

Wanneer wordt aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel van de gemeente Veldhoven zijn de volgende regels van toepassing:

  • Vuilwater en schoon hemelwater worden gescheiden aangeboden op de perceelgrens;
  • De gemeente hanteert voor de toename van het verhardoppervlak van 250 m2 tot 2000 m2 een compensatie van 42 mm/m2 berging binnen het te ontwikkelen plangebied. Boven de 2000 m2 gelden de regels van de Keur van Waterschap de Dommel;
  • Voorkeur voor een bovengrondse berging;
  • Leegloop van de bergingsvoorziening (infiltratie, geknepen afvoer e.d.) dient per locatie te worden aangegeven. Bij infiltratie dient te worden aangetoond dat infiltratie mogelijk is;
  • Wanneer wordt afgevoerd naar het gemengde stelsel dient een terugslag te worden toegepast zodat vuilwater niet de voorziening in kan stromen.
  • Bij het indienen van de omgevingsvergunning dient een gedetailleerd ontwerp te worden ingediend van de bergingsvoorziening en de leegloopconstructie.

Bij het uitvoeren van het plan zullen de bovenstaande regels in acht worden genomen. Het schone hemelwater zal worden afgevoerd naar het oppervlaktewater dan wel worden geïnfiltreerd in de bodem.

4.8.3 Huidige en toekomstige situatie van de planlocatie

In paragraaf 3.1 en 3..2 is een uitvoerige beschrijving gegeven van de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied. Samengevat wordt een groot deel van de verouderde bebouwing gesloopt en wordt hiervoor één nieuwe courante loods teruggebouwd. De totale oppervlakte aan verharding blijft gelijk.

Checklist

De gemeente Veldhoven hanteert een checklist, hieronder weergegeven, waaraan nieuwe initiatieven moeten worden getoetst op hun uitwerking op de watersystemen.

Checklist Watersysteem  
Hoofdwatergang cq open water   Nee  
Zijwatergang   Nee  
Keurgebied binnen plangebied?   Ja  
Binnen 25-100 jaarszone?   Nee  
Binnen boringsvrije zone?   Nee  
Ecologische verbindingszone?   Nee  
Binnen reserveringsgebied waterberging 2050?   Nee  
Attentiegebied EHS   Ja  
JRioolwatertransportleiding   Nee  
Waterschap gemaal   Nee  
Verdachte/verontreinigde locaties?   Nee  
Infiltratie praktisch mogelijk?   Nee  
Uitwerkingsplicht / wijzigingsbevoegdheid   Nee  

Het plangebied ligt in het attentiegebied van het waterschap De Dommel. In dit gebied gelden restricties voor grondwateronttrekking. Bij de nieuwbouw van de loods wordt geen grondwater opgepompt, de hydrologische verschillen zullen door de bouw niet worden beïnvloed.

Het schone hemelwater van de nieuwe loods wordt afgekoppeld en geïnfiltreerd op het perceel dan wel afgevoerd naar het oppervlaktewater.

Toekomstige situatie

Verhard oppervlak

In de onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de voorgenomen wijzigingen in het plangebied en de gevolgen hiervan op verharding binnen het plangebied.

maatregelen   afname verhard oppervlak m²   toename verhard oppervlak m²  
slopen gebouwen   774,50    
saneren mestkelder   53,3    
bouw loods     800  
Totaal      

Conclusie met betrekking tot het plangebied

Uit de toets aan de checklist blijkt dat de check aan de watersystemen niet leidt tot belemmeringen of nadere voorwaarden voor de beoogde ontwikkeling.

In de ruilverkaveling is het erf in het plangebied opgehoogd. De nieuwbouw wordt qua peil op hetzelfde niveau gerealiseerd als de te handhaven woning en schuur. Er zal daarom ter plaatse van de nieuwbouw geen sprake zijn van wateroverlast.

De hoeveelheid verhard oppervlak blijft nagenoeg gelijk waardoor het plan geen invloed zal hebben op van verdroging. Het plangebied is gelegen in het attentiegebied, hier gelden restricties voor het onttrekken van grondwater. Bij de bouw en het gebruik van de loods wordt geen grondwater gebruikt, hierdoor vormt de ligging van het plangebied in het attentiegebied geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen. Door het afkoppelen van het schone regenwater worden piekafvoeren en wateroverlast voorkomen.

4.9 Flora en fauna

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot actuele natuurwetgeving. Met ingang van 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) ingegaan. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wnb staat in het teken van de verbinding tussen ecologie en economie en bescherming van natuur.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.

Door Exlan is een natuurwaarden onderzoek uitgevoerd, waarin een inventarisatie van de huidige aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren in en om het plangebied is uitgevoerd. Tevens zijn de te verwachten effecten van de ingreep in het plangebied beoordeeld. Het onderzoek van Exlan is als bijlage 3 aan deze toelichting toegevoegd.

Gebiedsbescherming

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang.

Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN (voorheen EHS). Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn.

De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt.

Het plangebied ligt nabij het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Zie hiervoor ook figuur 17.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00150-0301_0018.png"

Figuur 17: ligging Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000

De provincie Brabant heeft haar ambities uitgeschreven in het Natuurbeheerplan 2016. In de Interim omgevingsverordening van de provincie Brabant. In de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant is de exacte begrenzing van het Natuurnetwerk Brabant opgenomen. In dit beleidssstuk is geen specifiek beschermingsregime opgenomen, anders dan via een goede ruimtelijke ordening zoals hierboven ook is beschreven. Binnen het plangebied zijn geen gronden aanwezig die behoren tot de NNB.

Van externe werking van het planvoornemen is in dit geval geen sprake. De ecologische waarden en kenmerken van het gebied worden met het planvoornemen in niet significant aangetast. Ook heeft het plan vanwege de ligging buiten de begrenzing van het NNN geen effect op versnippering of verkleining van het gebied. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarom geen invloed op de beschreven ambities in het Natuurbeheerplan 2016.

Natura 2000

In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voorbeelden van de Natura 2000-gebieden zijn Rijntakken; Sint Jansberg; De Bruuk; Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek. De provincie Noord-Brabant heeft geen bijzondere provinciale natuurgebieden vastgesteld.

Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Het bevoegd gezag kan schadelijke activiteiten beperken en eisen dat een vergunning in het kader van Wet Natuurbescherming (Wnb) wordt aangevraagd. Regulier beheer en bestaand gebruik zijn (of worden) opgenomen in Natura 2000-beheerplannen. Na vaststelling van de beheerplannen hoeft daarvoor geen vergunning aangevraagd te worden.

Het dichstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux. Dit gebied is gelegen op een afstand van circa 300 meter van het plangebied. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden kan op voorhand worden uitgesloten dat er, naast de invloed door stikstofdepositie, nog andere schadelijke effecten kunnen optreden, bijvoorbeeld verstoring door geluid of licht.

Beoordeling stikstof

Gebruiksfase

De stikstofuitstoot in de gebruiksfase wordt veroorzaakt door bezoekers aan de locatie. Omdat de in de huidige situatie er ook al sprake is van een bedrijvenbestemming en verhuur van opslag- en stallingsruimte, zal de toename van de verkeersbewegingen in de nieuwe situatie beperkt zijn.

Voor de berekening van de stikstofemissies is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden op grond van het voorliggende bestemmingsplan. Deze maximale planologische mogelijkheden worden begrensd door de maximale oppervlakte aan opslag- en stallingsruimte die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Vast is gelegd dat maximaal 1.103 m2 aan bedrijfsbebouwing is toegestaan.

Met behulp van Aerius Calculator is de stikstofemissie in de gebruiksfase doorgerekend, waarbij worst case is uitgegaan van 20 extra verkeersbewegingen per dag met zwaar verkeer vanwege de opslag- en stallingsactiviteiten. Verder is gerekend met 8 verkeersbewegingen met licht verkeer vanwege de bewoning van de bedrijfswoning. Tot slot is de stikstofemissie meegenomen die ontstaat door het verwarmen van de bedrijfswoning. In werkelijkheid zal het verkeer hoofdzakelijk bestaan uit licht verkeer en zullen de verkeersbewegingen van de opslag- en stallingsactiviteiten naar verwachting minder zijn.

De Aeriusberekening van de gebruiksfase laat zien dat het verkeer geen stikstofdepositie veroorzaakt op enig Natura 20000-gebied hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. De Aeriusberekening is bijgevoegd als Bijlage 4 aan deze toelichting.

Realisatiefase

Tot voor kort gold er een vrijstelling voor bouw- sloop en éénmalige aanlegactiviteiten. Dit betekent in het vergunningstraject dat voor het aspect stikstof alleen nog de neerslag (depositie) in de gebruiksfase een rol speelde. Op 2 november 2022 is er door de Raad van State een streep gehaald door de vrijstelling voor bouw- sloop en eenmalige aanlegactiviteiten. Het gevolg is dat er per project berekent moet worden wat de depositie op de relevante Natura 2000 gebieden is. Dit geldt ook voor de sloop- en bouwfase voor het project aan de Riethovensedijk.

Om op de juiste wijze de stikstofdepositie van de sloop- en bouwfase te bepalen, is in kaart gebracht welk bouwmaterieel en transportbewegingen noodzakelijk zijn. De uitgangspunten van de realisatiefase, inclusief de Aeriusberekening, zijn toegevoegd als Bijlage 5 aan deze toelichting. De Aeriusberekening van de realisatiefase laat ook zien dat het verkeer in de sloop- en bouwfase en de inzet van mobiele werktuigen geen stikstofdepositie veroorzaakt op enig Natura 20000-gebied hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.

Overige effecten

De beoogde vormverandering van het bouwvlak leidt verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging en verstoring door geluid en trilling. Dit omdat het plangebied buiten de grenzen van het gebied ligt en op enige afstand.

Uit de effecntenindicator van Alterra blijkt dat de fauna in het Natura 2000-gebied ‘Leenderbos, Groote heide & De Plateaux’ minder gevoelig is voor optische verstoringen en verstoringen door licht. Omdat het plan niet toeziet op een toename van de bebouwingsoppervlakte en de afstand ten opzichte van het Natura 2000-gebied niet verkleind, kan worden geconlcudeerd dat de fauna die gevoelig is voor deze verstoringsfactoren geen significant negatieve effecten zullen ondervinden.

Omdat het schone regenwater van de nieuwe loods wordt afgekoppeld en wordt geinfilteerd in de bodem of afgevoerd naar het oppervlaktewater, heeft het plan een positief effect op het tegengaan van verdroging. Juist veel voorkomende beschermde flora is zeer gevoelig voor verdroging. Gezien het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat negatieve effecten op soorten en habitattypen in beschermde Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten

Soortenbeschrijving

Op verschillende punten in het plangebied zijn door Exlan waarnemingen verricht. Tijdens het veldbezoek is het gebied beoordeeld op de aanwezigheid van beschermde soorten en de habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Er is extra aandacht besteed aan de mogelijke aanwezigheid van vleermuizen en vogelnesten.

Flora algemeen

Bij de planlocatie zijn geen bijzondere beplantingen aangetroffen. Er is tevens gelet op de aanwezigheid van (beschermde) muurvegetatie. De bestaande beplanting blijft behouden. Zie hiervoor ook het landschappelijk inrichtingsplan.

Grondgebonden zoogdieren

Verstoring van algemene zoogdieren vindt mogelijk plaats. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als de egel, konijn en diverse muissoorten. De verblijfsplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingreep echter niet aangetast. Verblijfplaatsen van beschermde zoogdiersoorten zijn ter plaatse niet aangetroffen.

Vleermuizen

Er zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen waaruit blijkt dat de gebouwen als verblijfplaats worden gebruikt. Nader onderzoek in het kader van de soortenbescherming is niet noodzakelijk.

Vogels

Door de voorgenomen ingreep worden geen vogels en jaarrond beschermde nesten aangetast.

Reptielen, amfibieën en vissen

Er zijn geen reptielen, amfibieën en/of vissen waargenomen. De instandhoudingsdoelstellingen komen niet in het gedrang.

Overige

Omdat er geen geschikt biotoop is waargenomen voor overige beschermde soorten, zijn negatieve effecten uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Zorgplicht

Voor alle soorten geldt de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt kort gezegd in dat een ieder die weet dat zijn handelen of nalaten negatieve gevolgen zal hebben voor flora en fauna, verplicht is dit handelen achterwege te laten of maatregelen te nemen die de negatieve gevolgen kunnen voorkomen, beperken of ongedaan maken. Zo dient het plangebied tijdig onaantrekkelijk gemaakt te worden als leefgebied voor de kwetsbare soorten die mogelijk in het plangebied kunnen voorkomen en dienen de werkzaamheden bij voorkeur plaats te vinden buiten kwetsbare perioden van deze soortengroepen. Als tijdens de sloop-, bouw- en aanlegwerkzaamheden beschermde soorten worden aangetroffen, moeten dusdanige maatregelen worden genomen dat de schade aan deze soorten zo veel mogelijk wordt beperkt.

Conclusie met betrekking tot het plangebied

Het voornemen zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed.

Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop.

Voor aanvang van de werkzaamheden is het niet noodzakelijk om aanvullend onderzoek te doen. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing.

Het plan heeft tot slot geen negatieve gevolgen voor de gebiedsbescherming.

4.10 Verkeer en parkeren

Verkeer

Op bais van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ geldt voor een opslagruimte (categorie 'arbeidsextensieve bedrijven - loods, opslag, groothandel, transportbedrijf) een gemiddelde verkeersgeneratie van 4,8 verkeersbewegingen per 100 m2 BVO (uitgaande dat het plangebied ligt in het buitengebied in een weinig stedelijk gebied). Voor de verhuurbare ruimte wordt uitgegaan van 1.000 m2. Hiermee komt de verkeersgeneratie op 48 verkeersbewegingen per weekdagetmaal.

In de praktijk zal dit aantal verkeersbewegingen bij lange na niet gehaald worden. De opslag en stalling zal voor een belangrijk gedeelte bestaan uit de statische opslag van campers en caravans. Deze middelen zullen hoogstens 2 tot 3 keer per jaar worden gehaald en gebracht. Ook de statische opslag van goederen heeft een relatief lage verkeersaantrekkende werking.

In de bestaande situatie heeft de locatie de bedrijvenbestemming en wordt een deel van de bedrijfsruimte reeds verhuurd. Door de nieuwbouw zal de verhuurbare ruimte worden vergroot, waardoor het aantal verkeersbewegingen zal toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Verwacht wordt dat de ten hoogste 8 extra verkeersbewegingen per dag zullen zijn. De bestaande infrastructuur kan deze kleine toename van het aantal verkeersbewegingen makkelijk aan.

Parkeren

Aan de hand van de gemeentelijke Parkeernormennota 2021 is de parkeerbehoefte berekend.

Voor een bedrijf in het buitengebied met opslag is een gemiddelde parkeernorm vastgesteld van 1,1 / 100 BVO.

In de toekomstige situatie heeft het bedrijf de beschikking over circa 1.000 m2 aan verhuurbare stalling- en opslagruimte. Uitgaande van 1.000 m2 aan verhuurbare ruimte, zijn op basis van de Parkeernormennota (1,1 x 10) 11 parkeerplaatsen noodzakelijk.

De parkeerbehoefte wordt volledig op eigen terrein gerealiseerd. Acht vaste parkeerplaatsen worden gerealiseerd op het achtererf binnen het bouwvlak (zie ook figuur 10 van deze toelichting). De overige drie plaatsen worden flexibel ingevuld binnen het bouwvlak. Hiervoor is binnen het bouwvlak voldoende ruimte.

Om te borgen dat ook daadwerkelijk in de benodigde parkeerbehoefte wordt voorzien, is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze verplichting bepaalt dat bij het bouwen en wijzigen van het bestaande gebruik, zoals toegestaan op grond van de geldende bestemmingen, voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid en dat deze parkeergelegenheid in stand moet worden gehouden.

Conclusie met betrekking tot het plangebied

Op het erf worden voldoende parkeerplaatsen aangelegd om te voorzien in de parkeerbehoefte. Verder zal de toename van het aantal verkeersbewegingen gering zijn. Het aspect verkeer en parkeren staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

4.11 Kabels en leidingen

In (de omgeving van het) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om de veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van deze straalpaden.

Op een afstand van circa 220 meter ten noorden van het plangebied loopt een hoogspanningsleiding. Voor deze leiding geldt een zone van 52 meter vanuit de hartlijn van de leiding.

Het plangebied ligt ruim buiten het beperkingen gebied van de hoogspanningsleiding. Bovendien voorziet de ontwikkeling niet in een nieuwe gevoelige functie.

Conclusie met betrekking tot het plangebied

Het aspect kabels en leidingen staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.12 Milieueffectrapportage

Zoals uit artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voortvloeit, dient in de toelichting bij het bestemmingsplan gemotiveerd te worden in welke mate rekening is gehouden met diverse ruimtelijke belangen. In artikel 3.1.6, lid 5 van het Bro wordt verwezen naar enkele milieuaspecten die in de toelichting terug dienen te komen. Daarbij wordt eveneens verwezen naar de milieueffectrapportage (m.e.r.). Dit is een wettelijk instrument dat als doel heeft milieuaspecten volwaardig te betrekking in de ruimtelijke afweging die gemaakt wordt ten behoeve ruimtelijke plannen en besluiten. Er zijn in beginsel drie afzonderlijke situaties die kunnen leiden tot een m.e.r.-plicht bij een bestemmingsplan:

  • a. Er is een passende beoordeling nodig in het kader van de Wet natuurbescherming;
  • b. Het bestemmingplan is genoemd in kolom 3 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportrage;
  • c. Het bestemmingplan is genoemd in kolom 4 van een activiteit of geval genoemd in onderdeel C of D van de bijlage van he Besluit milieueffectrapportage.

Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D valt, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die beneden de drempelwaarden vallen, moet dan ook een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Beoordeling plan

In dit geval is geen passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig omdat uit de Aeriusberekeningen is gebleken dat er geen significant negatieve effecten optreden op de Natura 2000-gebieden.

Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.

1. Drempelwaarden Besluit m.e.r.

In het Besluit milieueffectrapportage wordt onder categorie D11.2 en D11.3 gesproken over een de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject respectievelijk de aanleg, uitbreiding of wijziging van een industrieterrein. Voor het planvoonemen zijn deze activiteiten uit de bijlage van het Besluit m.e.r. het meest relevant.

Het planvoornemen voorziet in de vormverandering van de bedrijvenbestemming, de sloop van bebouwing en de realisatie van een nieuw gebouw. De totale oppervlakte aan bebouwing blijft gelijk. De oppervlakte van de bestemming 'Bedrijf' wordt verkleind van circa 8.600 m2 naar circa 6.200 m2.

Gelet op het gegeven dat er geen sprake is van de toename aan bebouwing en de oppervlakte van de bestemming 'Bedrijf' afneemt is deze activiteit niet aan te merken als een 'stedelijk ontwikkelingsproject' of een uitbreiding van een industrieterrein.

Bovendien zou een milieueffectrapportage verplicht zijn in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het planvoornemen valt ver onder de drempelwaarde van 2.000 woningen en de oppervlakte van het plangebied blijft ver beneden de 100 ha.

2. Ligging binnen een gevoelig gebied

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat verstaan wordt onder een 'gevoelig gebied'. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Onderhavig plangebied is niet gelegen binnen een 'gevoelig gebied' zoals gedefinieerd in het Besluit m.e.r. In de hoofdstukken 3, 4 en 5 van de toelichting is reeds aangegeven dat het plan gelet op de aard, omvang en ligging geen negatieve effecten heeft ten opzichte van dergelijke gevoelige gebieden.

3. Belangrijke milieugevolgen

In Hoofdstuk 4 van deze toelichting zijn verschillende milieuaspecten afgewogen. Daaruit is gebleken dat onderhavig plan geen negatieve effecten heeft ten aanzien van deze aspecten.

Conclusie met betrekking tot het plangebied

Het plan voorziet per saldo niet in een uitbreiding van bedrijfsruimte. Er is derhalve
geen toename van het ruimtebeslag door de plannen. Een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling is dan ook niet aan de orde. Bovendien blijkt uit dit hoofdstuk dat er geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.13 Duurzaamheid

Energie, klimaatneutrale ontwikkelingen en duurzame ontwikkelingen zijn de afgelopen jaren steeds dominanter geworden in de ruimtelijke ordeningspraktijk. Er bestaan echter, behalve het bouwbesluit, geen wettelijke verplichtingen om aandacht te besteden aan (duurzame) energie. Er bestaan verschillende mogelijkheden om in ontwikkelingsplannen rekening te houden met duurzame energie.

Initiatiefnemer is voornemens om zonnepanelen te installeren op het dak van de nieuwe loods. De intentie is om qua stroombehoefte op zijn minst te kunnen voorzien in de eigen behoefte.

Verder wordt het erf en de nieuwbouw landschappelijk ingepast. Op deze manier wordt de locatie duurzaam ingepast in he landschap.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

In de Wet ruimtelijke ordening (artikel 6.12) wordt voorgeschreven dat tegelijk met het vaststellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan vastgesteld moet worden voor het plangebied of delen ervan, tenzij:

  • het kostenverhaal anderszins verzekerd is;
  • er geen noodzaak tot het stellen van locatie-eisen of eisen aan type woningbouw is;
  • er geen noodzaak is voor het bepalen van een tijdvak of fasering.


In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Onder een bouwplan wordt onder andere verstaan de bouw van één of meerdere woningen. Wijziging van het gebruik van een bestaand gebouw kan dan ook niet worden aangemerkt als een bouwplan.

De ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt betreft een 'bouwplan'. Omdat er een anterieure overeenkomst is afgesloten met de initiatiefnemer, is het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' en hoeft er geen exploitatieplan opgesteld te worden.
Op grond van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het plan economisch uitvoerbaar is.

5.2 Procedure

5.2.1 Vooroverleg

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moet burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft laten weten dat wanneer geen nationaal belang gemoeid is, er geen vooroverleg gevoerd hoeft te worden. In dit geval is er inderdaad, zoals bij het beleidskader beschreven, geen nationaal belang gemoeid.

Het concept-ontwerpbestemmingsplan is op 12 april 2022 toegezonden aan Provincie Noord-Brabant, Waterschap de Dommel, Gasunie en Ministerie van Defensie.

Gasunie en Defensie hadden geen opmerkingen. De Provincie Noord-Brabant laat weten dat het plan in overeenstemming is met de provinciale belangen. Wél adviseert de Provincie om het regenwater van het verhard oppervlak af te koppelen en te infiltreren op het perceel.

Het Waterschap de Dommel heeft in het kader van het vooroverleg gevraagd om:

  • Op de verbeelding het attentiegebied waterhuishouding op nemen;
  • Het regenwater af te koppelen en dus niet te lozen op het gemeentelijk rioolstelsel in het buitengebied;
  • In de tabel van paragraaf 4.8 aan te geven dat het plangebied in het attentiegebied waterhuishouding ligt;
  • De tekst van paragraaf 4.8 aan te passen o.a. overeenkomstig de beleidsregels Keur.

Alle opmerkingen van het Waterschap zijn overgenomen en op de verbeelding en in paragraaf 4.8 van de toelichting verwerkt.

5.2.2 Tervisielegging

Na het wettelijk vooroverleg wordt dit bestemmingsplan gedurende zes weken ter visie gelegd als ontwerpbestemmingsplan. De resultaten hiervan worden te zijner tijd in deze toelichting verwerkt.

5.2.3 Vaststelling

Het bestemmingsplan wordt op te zijner tijd vastgesteld door de gemeenteraad.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Plansystematiek

Dit bestemmingsplan heeft een uniek en eigen identificatienummer, namelijk NL.IMRO.0861.BP00150-0101. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, en gaat vergezeld van een toelichting. In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een 'goede ruimtelijke ordening'. Ondanks het feit dat de toelichting geen onderdeel uitmaakt van het juridisch plangedeelte, heeft de toelichting wel een belangrijke rol bij de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Voor de opzet van de verbeelding en de planregels is zoveel mogelijk aangesloten bij de gemeentelijke modelregels. De gemeente streeft namelijk naar (zoveel mogelijk) standaardisering van bestemmingen en planregels, zodat iedereen in Veldhoven gelijke rechten heeft. Maatwerk is soms nodig, om specifieke situaties goed te kunnen vastleggen.

Het bestemmingsplan voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012), dit zijn op nationaal niveau voorgeschreven richtlijnen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de naamgeving van artikelen en het kleurgebruik van bestemmingen.

Het bestemmingsplan is gericht op 'toelatingsplanologie'. De gedachte hierachter is dat iedereen zelf mag bepalen (voor zover dat is toegestaan binnen de planologische mogelijkheden) wat hij realiseert op zijn grondeigendom. Het bestemmingsplan maakt bepaalde functies mogelijk en kan randvoorwaarden stellen aan de mate en de wijze van bebouwing en het gebruik. De eigenaar bepaalt binnen deze randvoorwaarden zelf wat hij realiseert en of wat hij niet realiseert. Hij is dus niet verplicht om de bestemming te verwezenlijken.

6.2 Toelichting op de verbeelding

Het bestemmingsplan bestaat uit een digitale en papieren versie van de verbeelding. Opgemerkt wordt dat de analoge en digitale verbeelding qua verschijning van elkaar verschillen omdat de manier van raadplegen verschillend is. De digitale verbeelding, die op de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl staat, is juridisch bindend. In de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. De bestemming(en) en de aanduiding(en) zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn op de verbeelding opgenomen in de legenda.

Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien en voor zover hier in de regels naar wordt verwezen. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan op een ondergrond getekend.

6.3 Toelichting op de regels

De bestemmingsplanregels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken, te weten:

  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels
  • Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels
  • Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels
6.3.1 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels, die bestaan uit de begrippen en de wijze van meten.

Artikel 1. Begrippen

In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Artikel 2. Wijze van meten

In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

6.3.2 Bestemmingsregels

In hoofdstuk 2 worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en voor welke doeleinden de in die bestemming opgenomen gronden en gebouwen mogen worden gebruikt. Daarnaast zijn per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Het bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen, functieaanduidingen en gebiedsaanduidingen:

  • Enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - Natuurwaarden’
  • Enkelbestemming ‘Bedrijf -1’
  • Dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie’
  • Bouwvlak
  • Functieaanduiding ‘Caravanstalling en statische opslag’
  • Aanduiding ‘Maximum bebouwd oppervlakte bedrijfsgebouwen van 1.103 m2
  • Gebiedsaanduiding ‘overige zone – attentiezone waterhuishouding’
  • Gebiedsaanduiding ‘overige zone - leefgebied amfibieën’
  • Gebiedsaanduiding ‘overige zone - groenblauwe mantel’
  • Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone-radar’


Artikel 3 Agrarisch met waarden - natuurwaarden

Alle gebieden met waarden die agrarisch zijn, zijn bestemd als agrarisch met waarden. Om de waarden te beschermen is een aanlegvergunningstelsel opgenomen.

Artikel 4 Bedrijf -1

In de enkelbestemming ‘Bedrijf – 1’ zijn drie categorieën aan bedrijfsactiviteiten mogelijk voor dit gemengde bedrijf. Ten eerste niet-agrarische bedrijvigheid in algemene zin in milieucategorie 1 en 2, aangevuld met de functieaanduiding 'caravanstalling en statische opslag'. De totale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen is begrenst op 1.103 m2. Dit is exclusief de oppervlakte van de bedrijfswoning.

Artikel 5 'Waarde – Archeologie’

Deze bestemming is opgenomen om de archeologische waarden ter plaatse te beschermen. Binnen deze bestemming geldt de grens van 250 m2 en 0,40 meter beneden maaiveld voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

6.3.3 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels die gelden voor het hele plangebied. Het betreft de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels.

Artikel 6. Anti-dubbeltelregel

Om misbruik van de bouwregels te voorkomen, is in dit artikel bepaald dat gronden, die al eens als berekeningsgrondslag voor een omgevingsvergunning hebben gediend, niet nogmaals als zodanig kunnen dienen.

Artikel 7. Algemene bouwregels

In de algemene bouwregels is vastgelegd dat het bouwvlak uitsluitend mag worden overschreden door ondergeschikte bouwdelen. Verder zijn kelders toegestaan waar gebouwen mogen worden gebouwd.

Ook is er een regeling opgenomen voor bestaande maten. Indien de bestaande maatvoering, afstanden, bebouwingspercentages en/of oppervlaktes van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde (volgens een verleende omgevingsvergunning) afwijken van de in de regels en op de verbeelding genoemde maten zijn de bestaande maten leidend.

Tenslotte zijn regels opgenomen over parkeren. Bij (nieuw)bouw dient altijd voldaan te worden aan de genoemde parkeernormen. Indien niet voldaan wordt aan de parkeernormen is het bouwen strijdig met het bestemmingsplan.

Artikel 8. Algemene gebruiksregels

In dit artikel zijn de algemeen geldende regels opgenomen ten aanzien van strijdig gebruik en de regels ten aanzien van het parkeren. Bij wijziging van gebruik dient altijd voldaan te worden aan de genoemde parkeernormen. Indien niet voldaan wordt aan de parkeernormen is het gebruik strijdig met het bestemmingsplan.

Ook zijn regels opgenomen in verband met het zogenaamde vogelbeperkingengebied vanwege het nabijgelegen vliegveld Eindhoven. Er is een verbod voor de volgende vormen van grondgebruik en enkele functies binnen het plangebied:

  • a. oppervlaktewateren met een oppervlakte van meer dan 3 hectare;
  • b. natuurbeschermingsgebieden en vogelbeschermingsgebieden;
  • c. vishouderijen met extramurale bassins;
  • d. extramurale opslag of verwerking van organisch materiaal;
  • a. afvalwaterzuiveringsinstallaties.

Er is een mogelijkheid af te wijken van dit indien kan worden aangetoond dat de belangen van de luchthaven Eindhoven niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 9. Algemene afwijkingsregels

In dit artikel zijn aanvullende regels gesteld in verband met de nabije ligging van het vliegveld Eindhoven. Ter plaatse van de aanduiding 'luchtvaartverkeerszone - Inner Horizontal en Conical Surface (IHCS)' geldt in aanvulling op wat verder in deze planregels is bepaald dat de bouwhoogte van bouwwerken niet meer mag bedragen dan 40 meter boven NAP.

Artikel 10. Overige regels

In dit artikel zijn regels opgenomen over het realiseren van voldoende parkeerplaatsen binnen het plangebied.

Artikel 11. Algemene afwijkingsregels

In dit artikel is een aantal algemene afwijkingsregels opgenomen. Deze afwijkingen betreffen het overschrijden van bouwgrenzen, maatvoeringen en beperkte verschuivingen van de bestemmingsgrenzen.

Artikel Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregel van het bestemmingsplan. In de overgangsregels is het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik geregeld. In de slotregel is bepaald onder welke titel het plan kan worden aangehaald.