direct naar inhoud van Toelichting
Plan: De Run 2018 ASML
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0861.BP00110-0301

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

Aanleiding voor het onderhavige bestemmingsplan is de wens van ASML om op maaiveldniveau te komen tot aansluiting van haar aan beide zijden van de Run 6800 gelegen bedrijfsterrein.

Het ASML bedrijfsterrein wordt hierbij omsloten door een nieuwe verkeersverbinding als vervanging van de doorgaande route op de Run 6800, welke vanwege de aansluiting van het bedrijfsterrein op maaiveldniveau komt te vervallen.

In het bestemmingsplan de Run 2012 ASML was reeds de mogelijkheid opgenomen van overbouwing van de Run met inpandige verbindingen tussen ASML gebouwen aan weerzijde van deze openbare weg. Zoals hierna wordt uiteengezet is een dergelijke verbinding “boven de weg” niet langer voldoende om te kunnen komen tot een invulling van haar bedrijfsterrein, zoals ASML thans voor ogen staat.

1.2 Crisis- en Herstelwet

Artikel 1.1. lid 1 Crisis en herstelweg (CHW) geeft aan dat afdeling 2 van de CHW van toepassing is op alle besluiten betreffende de in bijlage II genoemde ruimtelijke projecten. In afdeling 2 zijn de versnelde procedure en de beperking van het beroepsrecht geregeld.

In bijlage II wordt onder sub. 24 genoemd het project “Brainport Eindhoven” (ligging : aanliggend aan de A2 ten westen van Eindhoven, aard project: aanleg infrastructuur en herstructurering werklandschappen). Dit project “Brainport Eindhoven” is nader omschreven in het MIRT projectenboek 2009 op pagina 218 (project nr. 24) alsmede in de Nota Ruimte Uitvoeringsbudget 2007-2014 op pagina 44-45.

In deze is op pagina 44-45 te lezen :


Het project omvat de ontwikkeling van een hoogwaardig woon- en werkmilieu ter versterking van de Brainport Eindhoven en de aansluiting daarvan op het Nationaal Landschap Het Groene Woud. De A2-zone is een aaneengesloten,integraal te ontwikkelen gebied waarbinnen concrete maatregelen worden uitgevoerd, zoals de aanleg van aansluitende en verbindende infrastructuur.Ook de ontwikkeling en herstructurering van werklandschappen hoort hierbij. (…)

Ook BrabantStad en de provincie Noord-Brabant hebben de A2-zone aangemerkt als één van de belangrijkste economische toplocaties binnen het stedelijke netwerk BrabantStad respectievelijk Noord-Brabant. Voor de A2-zone is de ontwikkelingsvisie ‘de geniale Brainportlocatie’ opgesteld. (…)

In de A2-zone wordt al een aantal grote investeringen gepleegd, terwijl een aantal andere projecten nog in voorbereiding is. Bijvoorbeeld de verbreding van de A2 en de ontwikkeling van Eindhoven Airport, Flight Forum, High Tech Campus Eindhoven, hoogwaardig bedrijventerrein BeA2, Tradeforum en I-Park. Maar ook de opwaardering van de bedrijventerreinen De Run en De Hurk en forse bedrijfsuitbreidingen, waaronder die van ASML, Philips Medical Systems en VDL.


In de Nota Ruimte Uitvoeringsbudget 2007-2014 als onderdeel van het bijlage II onder sub 24. genoemde project “Brainport Eindhoven” wordt concreet de bedrijfsuitbreiding van ASML genoemd. Verder wordt gesproken over de voor de A2 zone bestaande ontwikkelingsvisie ‘de geniale Brainportlocatie’. Ook in deze ontwikkelingsvisie wordt de uitbreiding van ASML concreet benoemd als een belangrijk onderdeel van de ontwikkeling van de Brainportlocatie.

Op grond van het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat de CHW op dit bestemmingsplan van toepassing is.

Hoofdstuk 2 Gebiedsprofiel

2.1 Gemeente Veldhoven

Veldhoven is te karakteriseren als een typische stadsrandgemeente met aan de ene kant de grote stad Eindhoven en aan de andere kant de open landelijke ruimte van De Kempen. De huidige gemeente Veldhoven ontstond in 1921 door de samenvoeging van de voormalige gemeenten Oerle, Zeelst en Veldhoven-Meerveldhoven. Veldhoven is de laatste decennia zeer snel gegroeid. Van oudsher kent Veldhoven een sterke vermenging van wonen en bedrijvigheid gesitueerd langs de historische lintwegen van de oude kerkdorpen. In de loop der tijd is die bedrijvigheid geconcentreerd op het bedrijventerrein De Run.

2.2 Bedrijventerrein De Run

Het bedrijventerrein De Run is sinds de jaren '60 geleidelijk gegroeid aan de zuidzijde van Veldhoven tussen de Provinciale weg en de rijkswegen A2 en A67. De deelgebieden van het bedrijventerrein zijn relatief autonoom van elkaar ontwikkeld. Door de aanleg van het tweede deel van de Kempenbaan kan het bedrijventerrein zich als één ruimtelijke eenheid presenteren.

Het moderne bedrijventerrein De Run heeft een zeer belangrijke economische en werkgelegenheidsfunctie met een ruime vertegenwoordiging van zakelijke dienstverlening, industrie en distributie-intensieve activiteiten. Er is hierbij sprake van een technologiecluster met aantrekkelijke groeikansen. ASML neemt een niet onaanzienlijk deel van de werkgelegenheid voor haar rekening en de complexen van ASML maken in ruimtelijke en functionele zin een belangrijk onderdeel uit van het bedrijventerrein De Run.

2.3 De relatie tot het landelijke snelwegennet

Veldhoven is gelegen in de oksel van de A2 en A67, met knooppunt De Hogt als belangrijk knooppunt in het landelijke snelwegennet. De A2 en de A67 zijn belangrijke lijnen voor De Run om zich te kunnen profileren als werkgebied. Direct aan de A67 ligt het plangebied. ASML profileert zich aan deze snelweg, deels door de toren van 80 meter, deels door het staccato van bedrijfsgebouwen, alsmede door de langgerekte parkeergarage langs de A67. Deze manier van presenteren kan worden gezien als het referentiekader voor het gehele plangebied.

De momenteel deels in uitvoering - en deels in voorbereiding zijnde gefaseerde opwaardering van de Kempenbaan verbetert de bereikbaarheid van ASML in combinatie met het landelijke snelwegennet.

2.4 Plangebied

Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van Veldhoven en wordt begrensd door bestaand bedrijventerrein de Run aan de noordzijde, het ASML bedrijfsterrein aan de oostzijde, de autosnelweg A67 aan de zuidzijde en aan de westzijde door agrarisch gebied c.q. – agrarische bedrijvigheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00110-0301_0001.png"

Dit nieuwe bestemmingsplan de Run 2018 ASML ziet op :

  • de Run 6800 tussen Heiberg en A67, welke als openbare weg komt te vervallen en als bedrijventerrein wordt bestemd,
  • de nieuwe wegenstructuur rondom het westelijke ASML bedrijfsterrein,
  • een beperkte uitbreiding ten westen van het westelijke ASML bedrijfsterrein.

Voor het bestaande ASML bedrijfsterrein (oostelijke en westelijke deel) blijft het bestemmingsplan de Run 2012 ASML ongewijzigd van kracht.

Hoofdstuk 3 Projectprofiel

3.1 Het bedrijf ASML

In dit hoofdstuk worden de meest recente ruimtelijke plannen voor ASML beschreven, nadat is ingegaan op het bedrijf ASML en de sector waarin ASML actief is. ASML is toonaangevend op het gebied van geavanceerde lithografische systemen. Het bedrijf doet onderzoek naar, ontwikkelt, ontwerp, bouwt, verkoopt en onderhoudt de machines die essentieel zijn voor de fabricage van moderne ic's. ofwel “chips”. Het bedrijf wordt wereldwijd erkend als marktleider.

In haar hoofdvestiging in Veldhoven zijn naast het hoofdkantoor ook de assemblage- en ontwikkelingsafdeling gevestigd van zowel de bestaande NXT alsook de nieuwe NXE / EUV machines alsmede demonstratie- en toepassinglaboratoria. Verder beschikt het bedrijf over regionale verkoop- en servicepunten.

ASML is van grote betekenis niet alleen als werkgever, maar ook voor haar toeleveranciers in de regio. Een groot deel van een ASML machine is extern afkomstig. Dit betekent voor de regio (buiten ASML zelf) een zeer aanzienlijke werkgelegenheid.

De halfgeleiderindustrie kenmerkt zich door een kort cyclisch karakter (twee tot vier jaar), zowel in de marktomstandigheden als in de techniek. Het bijhouden en met name entameren van technische ontwikkelingen is derhalve essentieel voor de continuïteit van het bedrijf. ASML is dan ook permanent doende om te komen tot het verder verfijnen van haar machines, waarbij de schaal waarop wordt gewerkt tot ongekende mate van verkleining wordt gebracht. Deze verkleining geeft de chipfabrikanten de mogelijkheid om chips te produceren met steeds meer capaciteit, hetgeen in onze leefomgeving te herkennen is in de steeds geavanceerdere consumenten-electronica (telefoons, TV's, computers, geheugenstick's etc.).

Hierdoor is ook sprake van vaak “stormachtige” ontwikkelingen rondom ASML, waarbij ruimtelijk-planologische aanpassingen zich in ongebruikelijk snel tempo opvolgen. Een beschrijving van het bedrijf in de periode vanaf 2000 tot 2012 is te vinden in de toelichting bij het bestemmingsplan De Run 2012 ASML.

3.2 ASML in de periode na 2012

De grondslag voor het bestemmingsplan de Run 2012 ASML vormde een verdere uitbreiding van de activiteiten en de inrichting van ASML, om hiermee te komen tot voldoende flexibiliteit en ruimte voor toekomstige ontwikkelingen binnen het bedrijf.

Voor het uitbreidingsgebied aan de overzijde van de Run 6800 werd gedacht aan een centrale opslag van te verwerken onderdelen en halffabricaten, zodat op een meer gecentraliseerde manier de productie- en ontwikkelingsafdelingen hiervan kunnen worden voorzien.

Daarnaast was de idee om het uitbreidingsgebied aan te (kunnen) wenden voor realisatie van aanvullende dan wel vervangende clean-rooms voor ontwikkeling en productie van nog verder ontwikkelde machines, met bijbehorende kantoorfuncties.

Bedoeling was dat bestaande parkeervoorzieningen alsmede de toekomstige parkeervoorziening(en) in het uitbreidingsgebied gaan functioneren voor de gehele inrichting.

Op hoofdlijnen zag het toekomstbeeld voor ASML er in 2012 als volgt uit:

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00110-0301_0002.png"

3.3 ASML in de periode na 2017

Thans wordt het uitbreidingsgebied aan de overzijde van de Run 6800 nog steeds gedacht aan een centrale - geconditioneerde - opslag van onderdelen en halffabricaten, de “inkomende goederenstroom”.

Niet langer bestaat de wens om in het uitbreidingsgebied te komen tot separate clean-rooms voor ontwikkeling en productie van machines. Bedoeling is om deze ruimten te (kunnen) realiseren in de directe nabijheid van de huidige EUV en NXT faciliteiten. Hiermee ontstaat een afgebakend gebied binnen ASML, waar de produktie van de diverse machines zal plaatsvinden in een afgeschermde hoogwaardige omgeving, e.e.a. gevoed door diverse CUB's met hierin de ondersteunende faciliteiten en gekoppeld aan de centrale nabij gelegen “Gas-Yard” en de ontwikkelingsafdeling.

De aldus voor de nieuwe generatie EUV machines voorziene ruimte op het bestaande ASML terrein was voorheen gereserveerd voor uitgaande goederen (zie voorgaande foto met zwarte pijl en aanduiding transport), ofwel de locatie waar de machines worden klaargemaakt voor transport en van waar dit transport vervolgens plaatsvindt.

Aldus is ervoor gekozen om deze functie te realiseren in het uitbreidingsgebied aan de overzijde van de Run 6800 en aldaar een gebied te reserveren van waaruit de “uitgaande stroom” ofwel de expeditie van de ASML machines gaat plaatsvinden (zie onderstaande foto met zwarte pijl en aanduiding transport). Aldus ziet het toekomstbeeld voor de ASML inrichting er thans als volgt uit:

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00110-0301_0003.png"

Het was voor de “inkomende goederenstroom”, dat in het bestemmingsplan ASML 2012 de mogelijkheid werd opgenomen om te komen tot een overbouwing van de Run 6800 op een hoogte van minimaal 5 meter en maximaal 12 meter. De omvang van deze onderdelen en halffabricaten is dusdanig, dat een verticale beweging denkbaar was, zodat vanaf maaiveld via een lift kon worden gekomen tot een boven de Run 6800 gebouwde passage, waarna via een tweede lift weer tot maaiveld op het bestaande bedrijfsterrein kon worden gekomen.

Nu ook de “uitgaande goederenstroom”, ofwel de ASML machines, via de uitbreidingslocatie zou moeten worden verzorgd komt ASML voor een hele nieuwe uitdaging te staan. Om de hiermee samenhangende problematiek te kunnen duiden is enig nader inzicht in de nieuwste ASML machines van belang.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00110-0301_0004.png"

De nieuwe NXE / EUV machine kent als afmetingen een lengte, breedte en hoogte van respectievelijk 13 x 3,5 x 4,2 meter en een gewicht van circa 100.000 kilo. Vorenstaande afbeelding toont een dergelijke machine :

Om de machine te kunnen laten functioneren is diverse randapparatuur noodzakelijk in de vorm van circa 70 apparaten, zogenaamde kabinetten, met een gewicht van in totaal circa 50.000 kilo.

Een dergelijke ASML NXE / EUV machine wordt in een cleanroom gefabriceerd c.q. geassembleerd. Dit betreft een zwaar geconditioneerde ruimte in een vergelijkbaar geconditioneerde gebouw, waarin reinheid, luchtvochtigheid, luchtdruk, temperatuur (exact 21 graden) etc. binnen zeer nauwkeurige parameters wordt gegarandeerd.

De ASML bedrijfsgebouwen kennen een onderscheid in reinheid, variërend van de “normale” situatie in bijvoorbeeld de kantoren en het restaurant tot de hoogste graad van reinheid in de cleanrooms waar de machines zijn opgesteld. De lucht in een cleanroom is 10.000 x schoner dan de buitenlucht …

De werknemers van ASML die in contact komen met de machines moeten voldoen aan zeer strenge eisen ten aanzien van reinheid. Het beeld van de ASML medewerker in al omvattende speciale kleding is bekend:

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00110-0301_0005.png"

De zeer hoogwaardige condities waarbinnen de machines worden gefabriceerd c.q. geassembleerd zijn eenvoudig te begrijpen, indien inzicht bestaat in de mate van detaillering waarmee de huidige machines werken. Kern van de werking van de machines vormt de exacte locatie van “de blanco computerchips” in de machine, zodat deze van de juiste detaillering kunnen worden voorzien door de machine. Door de verkleining van de details op de computerchips wordt daarmee een grotere “processing capacity” bereikt, wat bijvoorbeeld tot resultaat heeft dat een mobiele telefoon inmiddels meer computerkracht heeft dan een forse kantoorcomputer van enkele jaren geleden.

De miniaturisering en aldus de nauwkeurigheidgraad van de ASML NXE / EUV machines is de afgelopen jaren opgelopen tot 1.4 nanometer en zal in de komende generatie machines 1.0 nanometer gaan bedragen. Dat is 1.000.000 deel van een millimeter. Ter vergelijking kan worden vermeld dat de doorsnede van een menselijke haar 1/100 deel van een millimeter is, zodat de ASML nauwkeurigheid 10.000 keer kleiner is dan de dikte van een menselijk haar. Hiermee is het evident dat iedere invloed van buiten een directe en potentieel desastreuze invloed heeft op het correct functioneren van de machine.

Het vervaardigen van een ASML NXE / EUV machine bedraagt op dit moment nog circa 12 maanden. Doelstelling is om deze tijd terug te brengen tot 6 maanden. In deze periode wordt de machine opgebouwd en intensief getest, totdat telkens de gewenste nauwkeurigheid en betrouwbaarheid wordt behaald.

Vervolgens moet de machine worden getransporteerd vanuit de cleanroom naar de klant. Dit is een uiterst kritisch proces, waarbij de machine in drie delen wordt gesplitst. Immers een machine van 100.000 kilo kan niet worden verplaatst, zeker niet in een vliegtuig. Aldus ontstaan drie delen van 30.000 – 35.000 kilo met ieder een omvang van circa 4 x 3,5 x 4,2 meter. Deze delen zijn niet voorzien van de “beschermde buitenste laag” van de machine maar moeten “open en bloot” worden vervoerd van de clean room naar een speciale container, waarin de machinedelen worden gestabiliseerd en uiteindelijk per vrachtwagen veelal naar een vliegveld worden vervoerd, waar zes vliegtuigen gereed staan voor het vervolg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00110-0301_0006.png"

Hierbij dient bedacht te worden, dat de machinedelen tijdens deze interne vervoersbeweging verbonden dienen te blijven met een deel van de randapparatuur om bijvoorbeeld door de toevoer van speciale gassen de interne reinheid van de machine te kunnen borgen.

Simpel gesteld, als een machine(deel) de juiste beschermende omgeving gedurende zelfs een korte tijd zou moeten missen, dan wordt de machine hiermee onbruikbaar. Herstel c.q. reiniging betekent een vrijwel volledige hernieuwde opbouw zodat nieuwbouw een verstandiger alternatief is.

Aldus is de verplaatsing van de onbeschermde machine(delen) vanuit cleanroom naar de expeditieruimte met hierin de containers waarin verder vervoer plaatsvindt, de meest kritische fase tussen machinebouw en oplevering bij de klant.

Het is deze fase die aan de orde is voor wat betreft de totstandkoming van dit bestemmingsplan. De machinedelen worden vanwege omvang, gewicht, gevoeligheid en afhankelijkheid van randapparatuur in de cleanrooms met een soort hovercraft-systeem opgetild en “zweven” aldus door de gangen richting expeditieruimte.

Uit het voorgaande blijkt, dat transport vanuit de cleanroom naar de expeditieruimte van een (opgedeelde) machine inclusief noodzakelijke randapparatuur vanaf maaiveld via een op minimaal vijf meter hoogte gelegen passage over de Run 6800 (of via een ondertunneling onder de Run 6800) in redelijkheid niet mogelijk is. Iedere schok die de volledig onbeschermde machinedelen zouden kunnen krijgen door een verticale beweging (omhoog of omlaag) betekent een onaanvaardbaar risico ten aanzien van de te realiseren nauwkeurigheid van 1.0 nanometer. Dat geldt ook voor wisselingen in luchtdruk, temperatuur of luchtvochtigheid.

Aldus is het noodzakelijk dat tussen de cleanrooms op het bestaande bedrijfsterrein en de voorziene expeditieruimten in het uitbreidingsgebied ook op maaiveld-niveau diverse inpandige verbindingen kunnen worden gemaakt.

3.4 De wijzigingen in het onderhavige bestemmingsplan

Het is vanwege het in paragraaf 3.3. beschrevene dat het onderhavige bestemmingsplan is opgesteld en een hiermee samenhangende verkeersbesluit dient te worden genomen.

Door dit nieuwe bestemmingsplan De Run 2018 ASML zal voor diverse stukken grond van en rondom het bestaande ASML bedrijfsterrein sprake zijn van een wijziging van de bestemming. De wijzigingen die aan de orde zijn, zijn de navolgende (met hierbij indicatief de maatvoering) :

  • a. de Run 6800 wordt bedrijventerrein

(circa 140 m1 x 25 m1 = 3500 m²)

  • b. bedrijventerrein (ASML terrein parallel aan A67) wordt openbare weg

(circa 280 m1 x 15 m1 = 4200 m²)

  • c. een strook als agrarisch gebied bestemde gemeentegrond wordt openbare weg

(circa 200 m1 x 15 m1 = 3000 m²)

  • d. bedrijventerrein (ASML terrein parallel aan Heiberg) wordt openbare weg

(circa 300 m1 x 4 m1 = 1200 m²)

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00110-0301_0007.png"

Dus hoeveelheid m² bedrijventerrein binnen plangebied neemt hierdoor ten opzichte van de bestaande situatie af met circa 1900 m2 (3500 m² (a.) – 4200 m² (b.) – 1200 m2 (d.) = -/- 1900 m²).

Ter plaatse van de Run 6800 wordt een overbouwingsmogelijkheid van 12 meter vervangen door een bouwmogelijkheid van 20 meter, waarmee conform de ter plaatse op het bestaande bedrijfsterrein aanwezige bouwhoogte tot aaneengesloten bebouwing kan worden gekomen.

Aan de westelijke zijde wordt gekomen tot een openbare verkeersweg waar voorheen sprake was van een agrarische bestemming.

Aan de zuidelijke zijde wordt gekomen tot een openbare verkeersweg daar waar voorheen sprake was van een bedrijfsbestemming.

3.5 De nieuwe routing van de openbare weg

Om de beide delen van het ASML bedrijfsterrein ten oosten en ten westen van de Run 6800 op maaiveldniveau met elkaar te kunnen verbinden is het noodzakelijk om de functie van Run 6800 als openbare verkeersroute te beëindigen. Vanwege de doorstroming van het (bestemmings-) verkeer is ervoor gekozen om te komen tot een alternatieve route rondom het westelijke ASML bedrijfsterrein.

Deze route is aangeven op onderstaande tekening:

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00110-0301_0008.png"

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Algemeen

In dit hoofdstuk zijn relevante passages uit de vigerende ruimtelijke beleidskaders van diverse overheden samengevat weergegeven. Voor het bijbehorende kaartmateriaal en de volledige teksten en achtergronden wordt verwezen naar de betreffende beleidsnota’s.

4.2 Landelijk beleid

4.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit en ministeriële regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, Rarro)

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) in werking getreden. De hoofdlijn van de SVIR is dat het Rijk op het gebied van de ruimtelijke ordening terugtreedt en dat gemeenten en provincies op dit taakveld een meer prominente rol krijgen. In het SVIR staat centraal dat alleen nog een taak voor het Rijk is weggelegd wanneer sprake is van nationale baten en/of lasten, internationale verplichtingen of provincie cq. lands overschrijdende onderwerpen.

Het Rijk heeft 13 onderwerpen benoemd waar het een taak voor zichzelf ziet weggelegd. Het beleid van het Rijk wordt geëffectueerd door het Barro en het Rarro.

Veldhoven maakt in de SVIR deel uit van de stedelijke regio Brainport Zuidoost-Nederland. Opgaven van nationaal belang in dit gebied zijn:

  • Het verbeteren van het vestigingsklimaat van de Brainport Zuidoost-Nederland door het optimaal benutten en waar nodig verbeteren van de (internationale) bereikbaarheid van deze gebieden via weg, water, spoor en lucht;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000-gebieden;
  • Het (internationaal) buisleidingennetwerk vanuit Rotterdam en Antwerpen naar Chemelot en het Ruhrgebied ruimtelijk mogelijk maken;
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV) over de grens.

Het plangebied is gelegen in de aanvliegroutes van vliegveld Eindhoven, zoals geregeld in de Rarro. Hierdoor is sprake van te respecteren hoogtematen. In het bestemmingsplangebied worden de hoogtematen gerespecteerd.

Het bestemmingsplan past aldus binnen het rijksbeleid.

4.2.2 Duurzaamheidsladder

Op 1 oktober 2012 is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder vormt daarmee een bindend toetsingskader voor alle gemeentelijke bestemmingsplannen, provinciale inpassingsplannen en provinciale ruimtelijke verordeningen.

Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6. lid 2 Bro gewijzigd en komen te luiden als volgt :

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Uitgangspunt is dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd en dat eerst als dat niet mogelijk is wordt gemotiveerd waarom die ontwikkeling niet in bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.

Stedelijke ontwikkeling

De eerste vraag die - ook onder de werking van de nieuwe ladder - aan de orde is, is - op basis van planvergelijking - of het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hierbij is van belang wat het voorgaande bestemmingsplan reeds aan ruimtelijke mogelijkheden bood en in hoeverre het nieuwe bestemmingsplan hierop een toevoeging of wijziging mogelijk maakt.

In het Bro (artikel 1.1.1, lid 1, onder i) is voor stedelijke ontwikkeling een definitie opgenomen:  “ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen”.

Op basis van voorliggend bestemmingsplan wordt de realisatie van een nieuwe verkeersverbinding mogelijk alsmede vindt- zoals in paragraaf 3.4. hiervoor nader geduid - een verschuiving plaats van voor bedrijventerrein beschikbare hoeveelheid m² grond, per saldo leidende tot een vermindering van circa 1900 m² aan bedrijventerrein ten opzichte van de voorheen ter plaatse van het plangebied bestaande situatie.

Aldus wordt met voorliggend bestemmingsplan ten opzichte van het ter plaatse vigerende planologisch kader geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk gemaakt zoals bedoeld in artikel 3.1.6, lid 2, van het Besluit ruimtelijke ordening.

Conclusie

Gezien het voorgaande blijkt, dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, zodat een toets aan de duurzaamheidsladder achterwege kan blijven.

4.3 Provinciaal beleid

4.3.1 Structuurvisie Ruimtelijke Ordening - partiële herziening 2014

De Wet ruimtelijke ordening vraagt van overheden om in een structuurvisie hun belangen helder te definiëren en aan te geven hoe zij deze willen realiseren. Voor Noord Brabant is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening op 1 oktober 2010 vastgesteld en op 1 januari 2011 in werking getreden. Op 7 februari 2014 hebben Gedeputeerde Staten de partiële herziening van de SVRO vastgesteld, welke per 19 maart 2014 in werking is getreden. De provincie kiest voor de verdere ontwikkeling van gevarieerde en aantrekkelijke woon-, werk- en leefmilieus en een kennisinnovatieve economie met als basis een klimaatbestendige en duurzame provincie.

Dit is vertaald in een aantal provinciale ruimtelijke belangen, waarvan concentratie van verstedelijking voor dit bestemmingsplan met name relevant is.

Op basis van de Structuurvisie is onderhavig plangebied gelegen in de stedelijke structuur, in het stedelijk concentratiegebied. In de stedelijke structuur wil de provincie het volgende bereiken:

  • 1. concentratie van verstedelijking;
  • 2. zorgvuldig ruimtegebruik;
  • 3. meer aandacht voor ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. betere verknoping van stedelijke ontwikkelingen aan de infrastructuur;
  • 5. versterking van de economische kennisclusters.

Het stedelijk concentratiegebied met de bijhorende zoekgebieden voor verstedelijking vangt de groei van de bovenlokale verstedelijkingsbehoefte op. Naar huidige inzichten - met het perspectief tot 2025 en een doorkijk naar 2040 - is in het stedelijk concentratiegebied (inclusief de zoekgebieden voor verstedelijking) voldoende ruimte om in de verstedelijkingsbehoefte (wonen, werken en voorzieningen) te voorzien. Hier is ruimte voor een grote verscheidenheid aan woon- en werkmilieus, of een menging daarvan, in uiteenlopende dichtheden.

De provincie vindt het belangrijk dat er voldoende terreinen geschikt blijven of geschikt worden gemaakt voor de vestiging van bedrijven die hinder kunnen veroorzaken naar hun omgeving in de vorm van geluid-, stof-, geur- of verkeershinder en voor bedrijven met een extern veiligheidsrisico. Per locatie wordt de hoeveelheid ruimte met de daarbij horende inrichtingseisen, het uitgifteprotocol en de manier waarop dit wordt veilig gesteld, vastgelegd om conflicterende situaties te voorkomen. Het is daarom belangrijk dat er zorgvuldig wordt omgegaan met de beschikbare ruimte op de (middel)zware bedrijventerreinen. Bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 passen in beginsel in woon- en gemengde gebieden.

Onderhavig plan maakt inpandige verbindingen mogelijk op maaiveld tussen (gebouwen op) beide delen van het ASML bedrijfsterrein. Wat de beperkte uitbreiding van de bedrijfsfunctie aan de oostzijde op de thans als agrarisch gebied in gebruik zijnde gronden betreft kan worden vastgesteld dat dit een logische uitbreiding van het bestaande industrieterrein betreft direct gelegen aan de A67 en binnen als bestaand stedelijk concentratiegebied aangeduid gebied.

4.3.2 Verordening ruimte Noord-Brabant

Provinciale Staten van Noord-Brabant heeft de 'Verordening ruimte Noord-Brabant' vastgesteld met hierin regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. Deze algemene regels gelden voor heel Brabant, maar de provincie is hierbij verdeelt in vier structuren waarvoor beleid geldt.

De algemene regels hebben betrekking op zorgvuldig ruimtegebruik en op het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit. Dit houdt in dat gebruikers van een gebied rekening houden met het karakter, de grootte en de functie ervan. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen belevingswaarde, toekomstwaarde en gebruikswaarde. Het doel is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Pas als dat niet kan, wordt gezocht naar de beste plek in het buitengebied om nieuwe ruimte te gebruiken. Daarnaast wil de provincie verouderde locaties in stedelijk gebied opnieuw invullen en ongewenste functies in het buitengebied saneren.

Naast de algemene regels onderscheidt de verordening op de hoofdkaart de stedelijke structuur, de ecologische hoofdstructuur, de groenblauwe mantel en het gemengd landelijk gebied. Elk ruimtelijk oppervlak van Brabant valt onder één van deze structuren. Per structuur is uitgewerkt welke functies ontwikkeld kunnen worden en onder welke voorwaarden.

Naast de hoofdkaart zijn er vijf themakaarten opgenomen in de Verordening Ruimte. Voor onderhavig plangebied is de themakaart stedelijke ontwikkeling van belang.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00110-0301_0009.png"

Op deze themakaart staan het bestaand stedelijk gebied, zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, integratie stad-land en de regionale bedrijventerreinen. Het plangebied is aangeduid als 'Bestaand stedelijk gebied - stedelijk concentratiegebied'.

Het provinciale beleid is er op gericht om stedelijke ontwikkeling in stedelijke concentratiegebieden te bundelen, om hiermee voldoende draagvlak voor de steden als economische en culturele motor te creëren en om het dichtslibben van het landelijk gebied tegen te gaan. Het merendeel van de woningbouw, de bedrijventerreinen, voorzieningen en bijbehorende infrastructuur moet aldus plaatsvinden in of aansluitend op de stedelijke concentratiegebieden. Binnen het bestaand stedelijke gebied is de gemeente in het algemeen vrij om te voorzien in stedelijke ontwikkeling.

Toets plan

Enkele onderdelen van de Verordening ruimte 2014 zijn relevant ten aanzien van onderhavig plan.

Artikel 3. : Zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit

Binnen de provincie Noord-Brabant geldt de algemene regel dat een plan dat een ruimtelijke ontwikkeling bevat, dient te verantwoorden dat het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving. Daarnaast dient sprake te zijn van zorgvuldig ruimtegebruik. Onderhavig plan voorziet primair in een aansluiting van twee onderdelen van een bestaand bedrijfsterrein op maaiveldniveau met hierbij een aanpassing van de locale infrastructuur. Per saldo is sprake van een vermindering van bedrijventerrein en derhalve is geen sprake van een nieuw stedelijk ruimtebeslag.

Door een verdere intensivering van het grondgebruik is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. In de Verordening ruimte 2014 wordt ook de toepassing van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (ladder voor duurzame verstedelijking) gezien als onderdeel van het aspect zorgvuldig ruimtegebruik. Hierop is bij de beschrijving van het Rijksbeleid reeds ingegaan.

Artikel 4 : Bestaand stedelijk gebied

Om te kunnen bepalen waar de regels voor stedelijke ontwikkeling en de daarvan afgeleide beleidsregels gelden is in de Verordening ruimte het bestaand stedelijke gebied van alle Brabantse kernen vastgesteld.

In artikel 4.2 van de Verordening ruimte staat dat bestemmingsplannen die voorzien in een stedelijke ontwikkeling uitsluitend zijn gelegen in bestaand stedelijk gebied. Het plangebied voldoet aan deze voorwaarde.

Volgens artikel 4.4. bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een uitbreiding van een bedrijventerrein een verantwoording over de verhouding tot de regionale afspraken, de beschikbare harde plancapaciteit alsmede de bevordering van zorgvuldig ruimtegebruik. Gezien de beperking van de hoeveelheid m2 aan bedrijventerrein binnen het plangebied is geen sprake van een uitbreiding en behoeft artikel 4.4. van de Verordening hier geen nadere bespreking.

4.4 Regionaal en gemeentelijk beleid

4.4.1 Masterplan De Run 2.0.

In november 2013 ondertekenden Het Veldhovens Ondernemers Contact (VOC), de Brabantse Ontwikkelings Maatschappij (BOM) - waaronder BHB Capital - en de gemeente Veldhoven het Masterplan De Run 2.0. Met dit vernieuwde Masterplan willen deze partijen De Run verder ontwikkelen tot een hoogwaardig modern, dynamisch en duurzaam bedrijventerrein. Dit gebeurt door gerichte facilitering van marktinitiatieven op het gebied van herstructurering en gebiedsontwikkeling.

 Masterplan de Run 2.0 vormt een uitnodiging aan de markt. In het plan worden kansen gesignaleerd en handreikingen gedaan. Het VOC, de BOM en de gemeente Veldhoven hopen dat ondernemers deze handreiking omarmen en in gesprek gaan met betrokken partijen. Dit om te werken aan ons gezamenlijk doel, namelijk de versterking van de economische dynamiek aan De Run binnen de Brainport-regio.

Het bestemmingsplan sluit naadloos aan bij deze doelstelling.

4.4.2 Ruimtelijke Structuurvisie Veldhoven

De Ruimtelijke Structuurvisie Veldhoven is door de gemeenteraad vastgesteld op 3 juni 2009. In de Structuurvisie heeft de gemeente de basis gelegd voor de ruimtelijke toekomst van Veldhoven. In tegenstelling tot de vorige structuurvisie, waarin het accent vooral lag op nieuwe ontwikkelingen en uitbreidingen, geeft deze structuurvisie ook duidelijk aan welke bestaande gebieden worden behouden en versterkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00110-0301_0010.png"

Wat bedrijventerreinen betreft moet worden vastgehouden aan beoogde doelgroepen, zodat een herkenbare differentiatie van de Veldhovense bedrijventerreinen ontstaat en van meet af aan dient aandacht te zijn voor de ruimtelijke uitstraling. Daarbij dient met name te worden gedacht aan de beeldkwaliteit, waarmee de profilering van het terrein wordt ondersteund.

Tevens zijn goede oplossingen vereist voor het parkeren en buitenopslag. Dat moet op het eigen perceel plaatsvinden, maar dient daar goed te worden ingepast of uit het zicht te worden geplaatst. Verder dient extra aandacht te zijn voor de overgangen van privé naar openbaar. Daarnaast gaat het ook om de ruimtelijke uitstraling van de bedrijventerreinen als geheel. Externe veiligheid is een belangrijk onderwerp bij besluiten over het gebruik en de inrichting van de ruimte.

De economie en werkgelegenheidsfunctie van Veldhoven moet in de toekomst worden versterkt. Ambities met betrekking tot de bedrijventerreinen betreft:

'Vasthouden aan en versterken van de segmentering van de diverse bedrijventerreinen. Op De Run gaat het primair om het versterken van de high tech en high med-identiteit en –uitstraling…”.

Onderhavig plan draagt bij aan deze doelstellingen.

4.4.3 Integrale strategie ruimte MRE

Brainportregio Eindhoven is in 2016 door het Rijk erkend als een van de drie mainports. De 21 gemeenten van de Metropoolregio Eindhoven hebben samen met de kennisinstituten en het bedrijfsleven de ambitie om de Brainportregio verder te ontwikkelen als economische wereldspeler, die internationale allure koppelt aan regionale eigenheid. Gewerkt wordt aan een excellente regio met sterke gemeenten die zich complementair ontwikkelen, waardoor een betere, duurzame toekomst voor inwoners en ondernemers ontstaat.

Voor het dichterbij brengen van Brainport ambities zijn keuzes en investeringen nodig. Gebeurt dit niet, dan leidt dit tot afnemende ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid, dichtslibbende netwerken, verminderde (economische) vitaliteit en sociale knelpunten.

De Integrale Strategie Ruimte toont de beoogde ontwikkelingsrichting op hoofdlijnen, van zowel de overheden, kennisinstituten en bedrijven samen. De overheid denkt mee vanaf het begin, geeft randvoorwaarden vanuit algemeen belang, stimuleert, faciliteert en realiseert (mede) op onderdelen daar waar er sprake is van verantwoordelijkheden.

Als relevante thema's kunnen worden genoemd economisch (vestigings)klimaat, aantrekkelijk woon- en leefklimaat, sterke omgevingskwaliteit, infrastructuur en bereikbaarheid, gezonde leefomgeving en klimaatadaptatie en duurzame energie.

Om de wenselijke dynamiek en ambities mogelijk te maken, is het nodig dat meer (regel)ruimte ontstaat. De Omgevingswet geeft hiervoor handvatten, maar er is meer nodig. Denk bijvoorbeeld aan de problematiek gekoppeld aan het Programma Aanpak Stikstof met brede effecten voor dynamiek in onze regio. Door het opstarten van pilots, experimenten en het inrichten van proeftuinen ontstaat hierop grip in de praktijk. Deze Integrale Strategie is ook een expliciete uitnodiging voor (het doorpakken op) pilotprojecten.

De Integrale Strategie Ruimte is tot stand gekomen samen met maatschappelijke partners. Voor de realisatie staan de gemeenten en maatschappelijke partijen samen aan de lat. Als vervolg wordt een Uitvoeringsprogramma opgesteld.

Als 'slimste regio' pakken we daadwerkelijk door op innovaties en delen we onze ervaringen breed. Zo kunnen we samen krachtige stappen zetten in het versterken van de internationale concurrentiekracht en van de kwaliteit van leven in de Brainportregio.

Onderhavig plan draagt bij aan deze doelstellingen.

4.4.4 Vigerende bestemmingsplannen in relatie tot onderhavig bestemmingsplan

Vigerende bestemmingsplannen

Het bestaande ASML terrein is – middels de bestemming “Bedrijfsdoeleinden” - vervat in het onherroepelijke bestemmingsplan “De Run 2012 ASML” zoals vastgesteld op 16 december 2013. Ter plaatse is toegestaan een bebouwingspercentage van maximaal 80% en een diversiteit aan bouwhoogten met een maximum van 30 meter.

De gronden welke thans in gebruik als de Run 6800 (a.) kennen de bestemming "Verkeer- Verblijfsgebied” met een overbouwingsmogelijkheid tussen 5 en 12 meter hoogte.

De strook agrarische grond (c.) ten westen van het ASML bedrijfsterrein is vervat in het bestemmingsplan De run 2008, herziening I 2010 en kent op grond daarvan de bestemming “agrarisch”.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00110-0301_0011.png"

Het onderhavige bestemmingsplan beoogt :

  • aansluiting op maaiveld van beide delen van het bestaande terrein ter plaatse van de Run 6800, met bijbehorende bouwhoogte aansluitend aan de bestaande hoogten aan beide zijde van de (voormalige) openbare weg (a.),
  • de alternatieve verkeersroute (b., c. en d.),

De gronden welke zullen worden gebruikt voor de nieuwe verkeersroute kennen thans een reguliere bedrijfsbestemming (b. en d.) en een agrarische bestemming (c.).

Hoofdstuk 5 Planologisch relevante (omgevings)aspecten

5.1 Algemeen

In het kader van de totstandkoming van dit bestemmingsplan dient aan diverse planologisch relevante aspecten aandacht besteed te worden. In dit hoofdstuk wordt per aspect hierop ingegaan.

5.2 Duurzaamheid

Het aspect duurzaamheid, zowel ten aanzien van milieuvoordelen, beeldkwaliteit en beheer, duurzame ontwikkeling op de Run, alsook de implementatie van het begrip duurzaamheid in de bedrijfsvoering van ASML is uitvoerig beschreven in de toelichting bij het bestemmingsplan De Run 2012 ASML. Dit bestemmingsplan de Run 2018 ASML kent slechts een beperkte reikwijdte (zijnde de aansluiting op maaiveld (in plaats van enkel via een overbouwing) van het oostelijk en het westelijk deel van het bestaande ASML terrein), zodat van planologisch relevante duurzaamheidsaspecten anders dan c.q. in aanvulling op het bepaalde in het bestemmingsplan De Run 2012 ASML geen sprake is.

5.3 Bedrijven en milieuzonering

Voor de beperkte toevoeging van bedrijfsterrein ter plaatse van de Run 6800 en aan de westelijke zijde van het bestaande ASML terrein wordt aansluiting gezocht bij de bestemmingsregeling van het bestaande ASML bedrijfsterrein en de hiervoor geldende 'Staat van bedrijfsactiviteiten'.

Wat de inrichting van ASML betreft is sprake van een inrichting milieucategorie 4.1. Het hierbij meest relevante hinderaspect betreft "geluid" met een afstand van 200 meter. Vanwege de om de inrichting van ASML gelegen geluidzone is het aspect geluid bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van ASML als categorie 4.1. bedrijf echter aan heel concrete eisen gebonden, waarbij veel kleinere afstanden dan de reguliere 200 meter gelden. Op basis hiervan is reeds in het kader van het bestemmingsplan de Run 2012 ASML vastgesteld dat ASML ook in een grotere omvang als specifiek categorie 4.1. bedrijf ter plaatse aanvaardbaar is.

Het vorenstaande leidt ertoe dat ook in dit bestemmingsplan alleen bedrijven in de milieucategorie 3 en de specifieke bedrijvigheid in milieucategorie 4.1. als hiervoor beschreven zijn toegestaan.

Voor wat betreft de geluid(zonering) wordt verwezen naar paragraaf 5.11.

5.4 Cultuurhistorie

Het aspect cultuurhistorie betreffende het plangebied van het bedrijfsterrein van ASML is uitvoerig beschreven in de toelichting bij het bestemmingsplan De Run 2012 ASML. Ten aanzien van het deelgebied De Run 7000 kan worden herhaald dat dit gebied van oudsher deel uitmaakt van een complex van nederzettingen, esdekken en beken. Tegenwoordig is van de kenmerkende samenhang tussen de nederzettingen, paden, akkers, weide en water door de uitbreiding van stad en infrastructuur weinig tot niks meer zichtbaar. De structuur van dit deelgebied wordt grotendeels bepaald door De Run 6800, Heiberg en Heerseweg. De Run 6800, het westelijke deel van de Heiberg en de Heerseweg zijn aangemerkt als lijnen van 'redelijk hoge historisch geografische waarde'. Naast dit wegenpatroon is vooral de grote verscheidenheid aan grondgebruik kenmerkend voor het gebied. Opvallend zijn de soms abrupte hoogteverschillen tussen sommige percelen. Deze verschillen zijn vermoedelijk veroorzaakt door kleinschalige afgraving of ophoging. Op de historische kaart van rond 1900 is te zien dat het gebied op de grens ligt tussen het kleinschalige beekdallandschap en het open akkergebied.

5.5 Archeologie

De gemeente Veldhoven heeft op basis van de Wet op de Archeologische monumentenzorg (Wamz, 2007) een eigen archeologiebeleid opgesteld. In de Nota Archeologische Monumentenzorg Veldhoven, vastgesteld op 16 december 2008, zijn beleidsregels en wensen ten aanzien van de omgang met het archeologisch erfgoed geformuleerd en maakt de gemeente duidelijk hoe waardevol het archeologisch erfgoed voor de identiteit van Veldhoven is. De inbedding van de nota archeologie en de beleidskaart in het ruimtelijke ordeningsproces heeft vorm gekregen door een zogenaamd 'parapluplan' op te stellen: een overkoepelend, thematisch bestemmingsplan waarmee het beleid is door vertaald in de vigerende bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan "Parapluplan 2009" is op 5 maart 2010 onherroepelijk geworden.

Uit het Parapluplan 2009 bleek dat grote delen van de gemeente Veldhoven een hoge archeologische verwachtingswaarde hadden en dat voorafgaand aan veel bodemingrepen archeologisch bureauonderzoek noodzakelijk was. Bovendien zijn sinds 2009 veel gebieden onderzocht en hebben deze geen archeologische verwachting meer. Om veel kleinschalig onderzoek en versnippering van onderzoek te voorkomen en om initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen beter van dienst te kunnen zijn, heeft de gemeente voor zijn volledige grondgebied een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd en een gespecificeerde archeologische verwachtingskaart opgesteld (Archeologische verwachtingskaart gemeente Veldhoven, november 2013). De archeologische verwachtingen zijn vertaald naar archeologische beleidsadviezen (Archeologische beleidsadvieskaart, def. 10-03-2014). De waarden en verwachtingen zijn hierin voorzien van archeologische beleidscategorieën die aangeven vanaf welke verstoringsoppervlakte en -diepte archeologisch vooronderzoek dient plaats te vinden.

Binnen het plangebied De Run 2018 ASML bevindt zich op de archeologische beleidsadvieskaart één categorie Waarde-Archeologie 7 (gebied zonder een archeologische verwachting of archeologisch vrijgegeven). Vanuit beleidsmatig oogpunt wordt archeologisch (voor)onderzoek derhalve niet verplicht gesteld.

Dit betekent evenwel niet dat bij de graafwerkzaamheden geen archeologische resten aan het licht kunnen komen. Deze dienen dan te worden gemeld bij mevr. M. Scharenborg (beleidsmedewerker Monumenten en Archeologie, gemeente Veldhoven (Ew art. 5.10). Er zal dan na overleg met initiatiefnemer bekeken worden hoe met deze toevalsvondst dient te worden omgegaan.

Aldus vormt het aspect archeologie geen belemmering voor onderhavig plan.

5.6 Milieukundige bodemkwaliteit

In (de toelichting bij) het bestemmingsplan De Run 2012 ASML is voor het bestaande ASML terrein en het westelijke uitbreidingsgebied de milieukundige bodemkwaliteit besproken. Uit verkennend bodemonderzoek bleek dat plaatselijk in het grondwater een matig verhoogd gehalte aan koper aanwezig is. Bij her-analyse werd het gehalte bevestigd. In een mengmonster van de grond werd een matig verhoogd gehalte aan PAK aangetroffen. Bij analyse van de separate monsters uit het mengmonster werd maximaal een licht verhoogd gehalte aan PAK aangetroffen. Overigens werden slechts licht verhoogde gehalten aan diverse parameters aangetroffen in de grond en het grondwater.

De gesteldheid van bodem en grondwater bleek geen belemmering voor het voorgestane bedrijfsmatige gebruik en voor het hiertoe vaststellen van het bestemmingsplan De Run 2012 ASML.

Ten aanzien van de strook agrarische grond (eigendom gemeente) ten westen van het bestaande ASML bestaat geen vermoeden van enige verontreiniging welke de transformatie naar openbare weg zou kunnen belemmeren. Indien en voorzover verontreiniging wordt aangetroffen zal deze in het kader van het betreffende werk worden gesaneerd.

Het bestemmingsplan "De Run 2018 ASML" kent geen wijziging naar een ten aanzien van de bodemgesteldheid meer kritische functie zodat kan worden vastgesteld, dat de milieukundige bodemkwaliteit in het plangebied geen beperkingen oplevert voor het thans voorgestane gebruik.

5.7 Kabels en leidingen

In het plangebied zijn geen kabels en leidingen - hoofd(transport)leidingen - gelegen, waarvoor een juridisch-planologische regeling in het bestemmingsplan dient te worden opgenomen.

5.8 Natuur

5.8.1 Natuurbeschermingsbeleid en - wetgeving

Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet.

De regels die toezien op bescherming van Natura 2000-gebieden (voorheen Nbwet) zijn opgenomen in 'Hoofdstuk 2 Natura 2000-gebieden' van de Wnb. De verbodsbepalingen ten aanzien van beschermde soorten (voorheen Ffwet) zijn in de Wnb opgenomen in 'Hoofdstuk 3 Soorten' en beschreven per beschermingsregime.

Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op de uitvoerbaarheid in relatie tot voormelde actuele natuurwetgeving. Er mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die op onoverkomelijke bezwaren stuiten door effecten op flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden.

5.8.2 Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden zijn natuurgebieden van groot internationaal belang. Deze gebieden zijn aangewezen onder de Europese Habitat- en / of Vogelrichtlijn. Voor de gebieden en de daarbij aangewezen soorten en habitattypen zijn instandhoudings doelstellingen opgesteld. Een activiteit mag niet leiden tot significant negatieve effecten op deze doelen of tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken.

Middels een Natuurtoets dient te worden beoordeeld of ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan het in redelijkheid duidelijk is dat de Wnb niet de uitvoerbaarheid van het plan in de weg zal staan. Het bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld nadat uit een Natuurtoets duidelijk is geworden of de activiteiten die volgen uit deze vaststelling ter plaatse mogelijk zijn dan wel of de mogelijkheid bestaat tot het hiertoe verkrijgen van een ontheffing of vergunning.

In de rapportage "Quickscan stikstofdepositie ASML te Veldhoven d.d. 15 maart 2018" van bureau Tauw, hier opgenomen als Bijlage 1 wordt aangegeven:

"De resultaten tonen aan dat in het kader van het bestemmingsplan de maximale toename 0,01 mol/ha/jaar bedraagt. De maximale toename wordt berekend op het dichtstbij gelegen stikstofgevoelige habitat in het Natura2000-gebied Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux (8.028 meter vanaf ASML).

De resultaten zijn lager dan 0,05 mol/ha/jaar. Effecten beneden deze zogenoemde drempelwaarde zijn verwaarloosbaar en worden dan ook als niet significant beschouwd"

Conclusie is dat het bestemmingsplan 'De Run 2018 ASML' geen ontwikkelingen mogelijk maakt, die een relevante invloed hebben op het Natura 2000-gebied.

In het plangebied liggen daarnaast geen gronden die deel uitmaken van het Nationaal Natuurnetwerk.

De gebiedsbescherming zoals geregeld in de Wet natuurbescherming en het provinciale beleid omtrent de EHS leveren derhalve geen belemmeringen op.

5.8.3 Soortenbescherming

In verband met de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen dient rekening te worden gehouden met soortenbescherming en met name de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wnb zijn veel soorten niet meer beschermd. Echter een aantal andere vlinder- en libellesoorten en florasoorten zijn nu wel beschermd. Tevens blijft de algemene zorgplicht gelden. Daarnaast geldt in bepaalde provincies voor een aantal van de Tabel 1-soorten uit de Flora- en faunawet wet geen vrijstelling meer. Dit zijn voor de provincie Noord-Brabant de bunzing, hermelijn en wezel.

Voor de strikt beschermde soorten in de Wnb, namelijk de soorten die zijn beschermd in de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn, geldt dat deze in de Flora- en faunawet gelijkwaardige bescherming genoten. De conclusies ten aanzien van deze soorten zullen dan ook niet veranderen.

Een tweetal algemene voorwaarden vanuit de Wnb is altijd van toepassing :

  • 1. in het broedseizoen van vogels (globaal half maart tot half juli) mogen de vegetatie, bosjes en opstallen niet worden verwijderd. Alle vogels zijn beschermd. Er is geen vrijstelling te verkrijgen voor activiteiten die vogels in hun broedseizoen verstoren.
  • 2. op basis van de zorgplicht volgens artikel 1.11 Wnb dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende dieren en hun leefomgeving.


Onderzoek 2012

Voor het plangebied is (ten behoeve van het bestemmingsplan De Run 2012 ASML) in februari 2012 door bureau Arcadis uitgevoerd een onderzoek "Quickscan natuurwetgeving ASML terrein Heiberg" (rapportage 26 juni 2012), zoals beschreven in de toelichting bij het bestemmingsplan De Run 2012 ASML.

Onderzoek 2017

In 2017 is door bureau Tauw onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen op het terrein van de ASML Veldhoven Campus, hetgeen in verwoord in de rapportage van 21 maart 2017 : "Ecologische quickscan beschermde soorten ASML Campus te Veldhoven". Hierbij werd voor het westelijke deel van het ASML bedrijfsterrein uitgegaan van de ruimtelijke kaders zoals vervat in het bestemmingsplan de Run 2012 ASML.

Geconcludeerd werd - voor wat betreft het thans aan de orde zijnde plangebied - dat voor toekomstige ontwikkelingen rekening gehouden moet worden met de aanwezigheid van algemene broedvogels. Bij werkzaamheden in het broedseizoen, globaal begrensd van medio maart tot medio juli, kunnen (nesten van) broedende vogels worden verstoord. Ook kunnen eieren worden beschadigd en jongen worden verwond en gedood. Zodoende dienen de werkzaamheden te starten voorafgaand aan het vogelbroedseizoen of te starten na het vogelbroedseizoen. Globaal loopt het vogelbroedseizoen van medio maart tot medio augustus, maar de Wnb hanteert geen standaardperiode en broedende vogels zijn ook buiten deze periode beschermd.


Onderzoek 2018, bestaand westelijk terrein

In het kader van het bestemmingsplan De Run 2018 ASML is aanvullend onderzoek gedaan door bureau Ecolybrium, neergelegd in "Rapportage Quickscanonderzoek Ecologische Waarden ter hoogte van Runstraat/A67, te Veldhoven, 21 juni 2018, (kenmerk: 17-259)", hier opgenomen als Bijlage 2.

Beoordeeld zijn de gevolgen van de permanente omleidingsweg voor een klein deel van de bestaande Runstraat (de Lus), hetgeen leidt tot toename aan verkeer ter plekke van de beoogde omleidingsroute. Beoordeeld is of de beoogde ingreep zou kunnen leiden tot negatieve effecten op aanwezige natuurwaarden, en in het bijzonder vleermuizen (vanwege de toename van straatverlichting en verlichting door verkeer).

Om vast te stellen of er beschermde natuurwaarden aanwezig zijn, is de locatie op 4 december 2017 onderzocht. Er is hierbij gelet op de mogelijke functie van het ingreepgebied en de directe omgeving voor alle soortgroepen. Omdat de groenopstand langs de A67 in potentie geschikt lijkt voor vleermuizen als vliegroute en/of potentiële boomholtes zou kunnen bieden welke als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen zouden kunnen dienen, is er nadrukkelijk onderzocht in hoeverre hier sprake van is.

Op basis van het onderzoek en de toetsing aan Wnb werd geconcludeerd dat :

  • Op basis van het onderzoek en de toetsing aan de Wet Natuurbescherming (Wnb) kan gesteld worden dat:
  • Het begroeide talud van de A67 vormt een geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Primaire vliegroutes zijn niet aanwezig van vleermuizen, evenals boomholtes die geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen vormen voor vleermuizen;
  • De ingreeplocatie (inclusief het begraasde weiland) vormt geen geschikt leefgebied voor beschermde soorten vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, vissen, libellen, dagvlinders, reptielen, broedvogels (al of niet met jaarrond beschermde nesten);
  • Er in de sloot/greppel, diverse soorten amfibieën kunnen voorkomen die dit water als voortplantingsgebied gebruiken. Overwinterende dieren kunnen aanwezig zijn in de strooisellaag van het begroeide talud van de A67.
  • Effecten te voorkomen zijn op soorten wanneer de werkzaamheden uitgevoerd worden conform de maatregelen zoals beschreven in tabel 3.
  • Nader onderzoek naar het voorkomen en gebruik van de locatie door zwaar beschermde soorten niet noodzakelijk is.
  • Het aanvragen van een ontheffing Wet Natuurbescherming niet aan de orde is.
  • De werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden, zoals beoogd.


en geadviseerd als onderstaand:

Indien er eventueel bomen gesnoeid dienen te worden, om doorgang voor vrachtverkeer plaats te laten vinden, geeft dit geen problemen met betrekking tot functieverlies voor soorten. In de overhangende takken (2 stuks) zijn geen boomholtes aanwezig die als verblijfplaats kunnen dienen voor vleermuizen.

Daarnaast adviseren wij om de randen van de te bebouwen percelen in te zaaien met bloemrijke mengsels om daarmee voor insecten nieuwe leefgebieden te creëren, aangezien de sterke achteruitgang van deze soortgroepen ecologisch grote effecten kan hebben op overige soorten.

5.8.4 Conclusie

De ontwikkelingen die middels het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt hebben geen nadelig effect op de aanwezig natuurwaarden in het plangebied noch in het nabij gelegen Natura 2000 gebied. Hierbij dienen wel voormelde zorgplicht en aandachtspunten in acht genomen te worden, uitgaande van handhaving van de bestaande elementen en uitvoering van de benodigde maatregelen, zoals hiervoor beschreven.

5.9 Water

5.9.1 Beleidskader

Relevante beleidsstukken betreffende "water" zijn de Europese Kaderrichtlijn Water, Nationaal Waterplan 2009-2015, Nationaal Bestuursakkoord Water Actueel, Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2010-2015 "Waar water werkt en leeft", de Verordening Ruimte provincie Noord- Brabant 2014, het Waterbeheerplan 2010-2015 "Krachtig water", het Waterbeheerplan 2016-2021 "Waardevol Water" en de Keur 2015 van waterschap De Dommel.

Water is een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening, waarbij verdroging en wateroverlast bestreden dienen te worden. In het onderstaande zijn de voor het plangebied relevante beleidsuitgangspunten nader toegelicht.

Beschermde gebieden

Het plangebied ligt niet binnen een (attentiegebied) natte natuurparel, beschermd gebied waterhuishouding, (attentiegebied) EHS of Groenblauwe mantel. Ook ligt het gebied niet binnen een drinkwaterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied ten behoeve van de drinkwaterwinning. Tevens is het gebied niet aangeduid als een regionaal waterbergingsgebied of reserveringsgebied waterberging. Vanuit de water gerelateerde beschermingsgebieden zijn dus geen belemmeringen aanwezig voor de ontwikkeling van het plangebied.

Provinciaal beleid

Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021

Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) vastgesteld. Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP) zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Het PMWP staat voor:

  • voldoende water voor mens, plant en dier;
  • schone en gezonde leefomgeving (bodem, water en lucht);
  • bescherming van Brabant tegen overstromingen en externe risico's;
  • verduurzaming van onze grondstoffen-, energie- en voedselvoorziening.

Beleid Waterschap De Dommel

Hemelwaterbeleid

In het Waterbeheerplan 2010-2015 "Krachtig water" zijn de doelen van het waterschap opgenomen en is aangegeven hoe het waterschap deze wil bereiken. Het plan is afgestemd op het Stroomgebiedsbeheerplan Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal Waterplan.

De doelen en inspanningen zijn gericht op de volgende thema's:

  • droge voeten;
  • voldoende water;
  • natuurlijk water;
  • schoon water;
  • schone waterbodem;
  • mooi water.

Waterschap De Dommel is gekomen tot een nieuw waterbeheerplan 'Waardevol Water' voor de periode 2016-2021. Met dit waterbeheerplan wil het waterschap meer dan voorheen inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied. In dit waterbeheerplan is de samenwerking tussen gemeente en waterschap bij het zoeken naar de beste oplossing voor de watervraagstukken in de bebouwde omgeving als één van de belangrijkste uitdagingen opgenomen. De vraag is hoe stedelijke inrichting en water met elkaar verbonden kunnen worden. Dat biedt volop kansen; water als inspiratiebron voor stedelijke vernieuwing en een hoogwaardige leefomgeving.

Met als basis het Waterbeheerplan heeft het waterschap de Handreiking Watertoets d.d. 23 september 2015 opgesteld. Daarin zijn de uitgangspunten benoemd voor het invullen van de watertoets bij ruimtelijke plannen en besluiten. Conform de Handreiking geldt voor de afvoer van hemelwater het uitgangspunt 'hydrologisch neutraal ontwikkelen'. Dit houdt in dat het hemelwater dat op daken en verhardingen valt, vertraagd moet worden afgevoerd naar oppervlaktewater.

Voor hemelwater vraagt het waterschap om als voorkeursvolgorde toe te passen:

  • 1. hergebruik,
  • 2. vasthouden / infiltreren,
  • 3. bergen en afvoeren,
  • 4. afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect),
  • 5. afvoeren naar de riolering.


De initiatiefnemer dient te beargumenteren voor welke optie wordt gekozen. 'Vasthouden' betekent infiltratie in de bodem. Als gebruik en (volledige) infiltratie niet mogelijk zijn, is afvoer naar een oppervlaktewater / riolering mogelijk. In dit geval kan een compenserende berging noodzakelijk zijn. Bij een compenserende berging kan worden gedacht aan een vijver, een infiltratievoorziening of buffersloot met een geknepen afvoer naar een watergang.

Gemeenten stellen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid eisen aan de afvoer van hemelwater. Bij de inrichting, bouwen en beheer dienen zo min mogelijk vervuilende stoffen te worden toegevoegd aan de bodem en het grond- en oppervlaktewatersysteem. Conform de voorkeursvolgorde "schoonhouden", "scheiden" of "zuiveren", dienen de mogelijkheden voor bronmaatregelen (schoonhouden) te worden onderzocht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan zorgvuldige materiaalkeuze (pakket duurzaam bouwen), geen blootstelling van uitloogbare bouwmaterialen zoals zink, koper en lood aan hemelwater en een verantwoord beheer van de openbare ruimte (weg- en groenbeheer).

Keur Waterschap De Dommel 2015

De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van Waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden. Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunning verlening.

De keur van het waterschap is van toepassing wanneer direct en indirect wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. De Keur is ook van toepassing als het oppervlaktewater niet in eigendom en beheer is van het waterschap.


Beleid t.a.v. toename aan verhard oppervlak

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 Maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.

Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2.000 m², 2.000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m².

De Keur Waterschap De Dommel 2015 geeft in artikel 3.6. een verbod afvoer door verhard oppervlak

"Het is verboden zonder vergunning neerslag door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen."

en in artikel 15 navolgende regeling betreffende de afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak

'Vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, voor het afvoeren van hemelwater via toename verhard oppervlak of door afkoppelen van verhard oppervlak, naar een oppervlaktewaterlichaam voor zover:

      • het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of;
      • de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of;
      • de toename van verhard oppervlak bestaat uit een groen dak.
      • de toename van verhard oppervlak tussen 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale compensatie conform de rekenregel: Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (in m²) * Gevoeligheidsfactor * 0,06 (in m).


Gemeentelijk beleid

Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (2015-2019)

Het waterbeleid van de gemeente Veldhoven is vastgelegd in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (2015-2019). In hoofdstuk 6 wordt beschreven hoe de gemeente invulling geeft aan de watertaken en ambities. De term verbreed houdt verband met de wettelijke uitbreiding van de zorgplicht riolering.

Volgens de wetgeving heeft de gemeente Veldhoven drie zorgplichten op het gebied van stedelijk waterbeheer :

  • zorgplicht voor inzameling en transport stedelijk afvalwater (Wet milieubeheer)
  • zorgplicht voor afvloeiend hemelwater (Waterwet)
  • zorgplicht voorkomen structureel nadelige gevolgen van grondwater (Waterwet).

Dit komt er op neer dat de gemeente vanuit het oogpunt van volksgezondheid en veiligheid zorg draagt voor een deugdelijke inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van stedelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen.


Ambitie gemeente afvoer van hemelwater

Door verandering van het klimaat wordt het bestaande rioolstelsel steeds zwaarder op de proef gesteld. Het risico op (grond)wateroverlast neemt toe. Om dit te voorkomen c.q. beperken wordt ruimte gecreëerd in het groen en/of oppervlaktewater, met hierbij navolgende voorkeursvolgorde (van zowel gemeente als waterschap) : infiltreren (vasthouden) waar mogelijk, bufferen op locaties met voldoende beschikbare ruimte en als het niet anders kan, dan pas afvoeren.

In openbaar gebied komt dit tot uiting door hemelwatervoorzieningen in groenstroken die geschikt zijn gemaakt voor de opvang van overtollig hemelwater en aanpassing van waterpartijen. In particulier bezit kunnen voorzieningen worden getroffen voor buffering en/of opslag van hemelwater en/of opvang van overtollig grondwater.

Uitgangspunten hemelwaterafvoer bij herontwikkeling en nieuwbouw

Bij herontwikkeling en nieuwbouw binnen de gemeente Veldhoven wordt uitgegaan van het HNO-principe (Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen) :

het hemelwater wordt ter plaatse de bodem in geleid via hemelwater verwerkende voorzieningen zoals infiltratiekolken, bermen, wadi's en vijverpartijen. Bij nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen wordt de perceelseigenaar gestimuleerd om het hemelwater op eigen terrein te verwerken. Waar mogelijk worden voorzieningen gecombineerd met benodigde maatregelen in omringende wijken. Indien de lokale omstandigheden de verwerking van hemelwater in de bodem niet toelaten, wordt het afgevoerd naar het dichtstbijzijnde oppervlaktewater, conform de richtlijnen van het hydrologisch neutraal ontwikkelen.

Wanneer wordt aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel van de gemeente Veldhoven zijn de volgende regels van toepassing:

  • Vuilwater en schoon hemelwater worden separaat aangeboden op de perceelgrens;
  • De gemeente hanteert voor de toename van het verhardoppervlak van 250 m² tot 2000 m² een compensatie van 42 mm/m² berging binnen het te ontwikkelen plangebied. Boven de 2000 m² gelden de regels van de Keur van Waterschap de Dommel;
  • Voorkeur voor een bovengrondse berging;
  • Leegloop van de bergingsvoorziening (infiltratie, geknepen afvoer e.d.) dient per locatie te worden aangegeven. Bij infiltratie dient te worden aangetoond dat infiltratie mogelijk is;
  • Wanneer wordt afgevoerd naar het gemengde stelsel dient een terugslag te worden toegepast zodat vuilwater niet de voorziening in kan stromen.
  • Bij het indienen van de omgevingsvergunning dient een gedetailleerd ontwerp te worden ingediend van de bergingsvoorziening en de leegloopconstructie.

5.9.2 Wateraspecten binnen het plangebied

de bestaande situatie

Middels de wateratlas van de provincie Noord-Brabant is bepaald dat de bodemkundige hoofdeenheid bestaat uit zandgronden (voedselarm en vochtig tot droog). Meer specifieker kan worden omschreven dat het hier leemarm en zwak lemig fijn zand betreft.

De waterhuishoudkundige aspecten van het gehele ASML terrein zijn uitvoerig beschreven in de toelichting bij het bestemmingsplan de Run 2012 ASML.

In haar rapport van 4 februari 2013 (projectnr. 2010174) beschrijft Agel Adviseurs de uitkomsten van de door haar uitgevoerde watertoets ten aanzien van het ten westen van de Run 6800 gelegen deel van het ASML bedrijfsterrein, uitgaan de van een "worst-case" benadering, bestaande uit 100% verharding van dit uitbreidingsgebied.

Wat betreft het droogweerafvoerstelsel (DWA-STELSEL) wordt opgemerkt dat ten behoeve van het huishoudelijke afvalwater een afzonderlijke leiding aangelegd dient te worden gedimensioneerd te worden op de toekomstige bebouwing in het plangebied. Het nieuwe DWA-stelsel kan worden aangesloten op het gescheiden stelsel in de Run 6800. De aansluitmogelijkheden en hoeveelheden dienen in een rioleringsplan nader te worden uitgewerkt. Dit rioleringsplan dient te worden voorgelegd aan het waterschap en de gemeente.

Wat betreft de verwerking van het regenwater refereert Agel aan de afspraken tussen ASML, Waterschap de Dommel en de gemeente Veldhoven en concludeert Agel dat het totale waterbezwaar van het plangebied de Run 6800 dat zal worden afgevoerd naar het door de gemeente Veldhoven voor 31-12-2013 aan te leggen retentiebekken uitkomt op 3.376 m³. (bestaande uit berging extreme neerslag T=10 jaar + 10%: 2.417 m³ en een extra benodigde berging bij extreme neerslag T=100 jaar + 10% 859 m³.

ASML zal hiertoe zelf zorgdragen dat het regenwater vanuit het uitbreidingsgebied aan de overzijde van de Run 6800 daadwerkelijk (op een technische verantwoorde wijze) naar het retentiebekken kan worden afgevoerd. Aldus is ook in de anterieure overeenkomst behorende bij (de totstandkoming van) dit bestemmingsplan tussen ASML en de gemeente Veldhoven vastgelegd.

Aan Royal HaskoningDHV is vervolgens de opdracht verleend tot het opstellen van een hydraulische berekening van het afwateringssysteem van de uitbreiding De Run 6800 om hiermee te beoordelen of afwatering naar het retentiebekken hydraulisch mogelijk is. Op basis van de gestelde voorwaarden heeft HaskoningDHV in haar onderzoek van februari 2013 "Effectenstudie toename verhard oppervlak op bermsloot A67" (het Masterplan) de afwatering van De Run 6800 via de bermsloot langs de A67 naar de retentiebekken doorgerekend. Hierbij is als uitgangspunt genomen dat in de huidige situatie al een deel van het afstromend regenwater van ASML, het MMC en het wegdek van de A67 naar deze bermsloot afwatert. Daarnaast zijn door zowel ASML als MMC plannen gemaakt om in de toekomst meer regenwater af te koppelen en af te voeren naar de bermsloot. Tegen de achtergrond hiervan is gevraagd om middels een hydraulische berekening na te gaan of de bermsloot langs de A67 voldoende afvoercapaciteit heeft om tevens de aanvoer van De Run 6800 te kunnen verwerken.

Geconcludeerd wordt dat de aanvullende afwatering van De Run 6800 mogelijk is, waarbij wordt geadviseerd om niet het gehele bestaande terrein af te koppelen en het maaiveld binnen het nieuwe plangebied op te hogen.

In een email van 24 februari 2013 wordt door waterschap de Dommel bevestigt dat er geen sprake is van waterhuishoudkundige belemmeringen :

"De effectenstudie toename verhard oppervlak op bermsloot A67 in het kader van het bestemmingsplan De Run 2012 ASML heb ik bestudeerd. De studie geeft voldoende onderbouwing dat de wateropgave van De Run 6800 zonder overlast (variant 4) kan worden afgevoerd naar de ecologische zone met waterbergende functie ter plaatse van knooppunt De Hogt.

De resultaten geven wat betreft Waterschap De Dommel groen licht voor de verder te doorlopen bestemmingsplanprocedure.

In de toekomst zal het riool en oppervlaktewaterstelsel in detail uitgewerkt gaan worden. Waterschap De Dommel wordt bij deze nadere uitwerking graag betrokken. Aandachtspunt is dat berekeningen van het uitgewerkte stelsel inzicht moeten geven in risicolocaties bij hevige neerslag, zodat hierop ingespeeld kan worden."

de nieuwe situatie

In de nieuwe situatie zal buiten het bestaande plangebied van het bedrijfsterrein van ASML sprake zijn van een wijziging, te weten een gedeelte van de thans als agrarisch gebied bestemde gemeentegrond (c.) wordt openbare weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00110-0301_0012.png"

Aan Royal HaskoningDHV is opdracht verleend tot het opstellen van een hydraulische berekening van het afwateringssysteem van de uitbreiding De Run 6800 om hiermee te beoordelen welke concrete maatregelen getroffen moeten worden.

In haar rapport van 2 juli 2018 (kenmerk BG1207WATNT1805150855, Bijlage 5) beschrijft RHDHV de uitkomsten van de door haar uitgevoerde watertoets te weten:

Na de vaststelling van het Masterplan is een aantal zaken gewijzigd in de geplande ruimtelijke ontwikkelingen. Verder is sprake van een aantal voortschrijdende inzichten ten aanzien van de haalbaarheid van maatregelen die zijn opgenomen in het masterplan:

      • Het terrein is groter dan aangenomen in het masterplan. Inclusief de omgelegde weg Run 6800 gaat het om 6,5 ha in plaats van 5 ha. Exclusief de omgelegde weg bedraagt de oppervlakte 5,8 ha.
      • Het logistieke gebouw 5L wordt vast gebouwd aan het bestaande gebouw 5H. De tussenliggende weg Run 6800 wordt westelijk om het terrein heen geleid.
      • De in het Masterplan voorgestelde rioolleiding van Ø1250mm zou onder gebouw 5H/L komen te liggen. Dit is een ongewenste situatie.
      • De vergroting van de capaciteit van de bermsloot tussen de parkeergarage en de A67 is complexer dan eerder voorzien. Op plaatsen is de ruimte tussen de sloot en de snelweg gering. Bovendien liggen er 10 kV-leidingen in de berm. Ook procesmatig zijn risico´s te verwachten, namelijk in het verkrijgen van een WBR-vergunning van Rijkswaterstaat.
      • Extra afvoer richting De Hogt en het Werdje (bovenop de extra overstort die inmiddels is gerealiseerd aan de zuidoostzijde van de ASML-campus) leidt mogelijk tot wateroverlast stroomafwaarts. Bovendien moet de watergang vanaf de nieuwe overstort tot aan De Hogt nog worden opgewaardeerd (verbreding en aanleg extra duiker onder de Onze Lieve Vrouwendijk).
      • Alles overziend lijkt afvoer van het terrein naar de Run effectiever. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van een bestaande duiker onder de A67 of kan middels een gestuurde boring een nieuwe leiding worden aangelegd.

Voor de berging en afvoer van hemelwater vanuit het terrein zijn 2 varianten uitgewerkt. Variant 1 voorziet in ondergrondse berging onder de parkeergarage P3. Variant 2 voorziet in waterberging op het dak van gebouw 5L en in aquaflow onder het verharde terrein ten westen van 5L. In beide varianten wordt het tracé van de bestaande B-watergang langs de Heiberg vervangen door een rioolleiding met straatkolken. Om de toename van verhard oppervlak van de omgelegde weg en de verminderde berging als gevolg van de overkluizing te compenseren, wordt tussen de weg en het westelijke deel van het terrein een wadi aangelegd. De volledige omgelegde weg (oppervlakte circa 7200 m²) blijft afwateren via de bestaande duiker onder de A67 door, naar de Run. Deze varianten zijn met het Waterschap de Dommel besproken op 27 juni 2018.

De uitwerking hiervan zal worden opgenomen als onderdeel van de door ASML aan te vragen omgevingsvergunning voor de nieuwe bedrijfsbebouwing waarvoor ook dit bestemmingsplan de Run 2018 ASML wordt opgesteld.

Het Waterschap de Dommel heeft d.d. 29 juni 2018 de gemeente Veldhoven bericht verzonden als in paragraaf 7 hierna beschreven.

5.9.3 Conclusie

Er is geen sprake van waterhuishoudkundige belemmeringen ten aanzien van de ontwikkelingen die middels het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt.

5.10 Verkeer en parkeren

5.10.1 Parkeren

Met betrekking tot parkeren worden de parkeerkencijfers (publicatie 317) van CROW aangehouden. In de regels is een regeling opgenomen conform de terzake geldende jurisprudentie, waarmee is geborgd, dat wordt voldaan aan de parkeernormering alsmede realisering en instandhouding van voldoende parkeergelegenheid.

5.10.2 Verkeersafwikkeling

Het bestemmingsplan De Run 2018 ASML leidt niet tot extra verkeersstromen van en naar het ASML bedrijfsterrein t.o.v. het huidige bestemmingsplan De Run 2012 ASML. Aldus wordt op dit onderdeel aansluiting gevonden bij hetgeen in de toelichting bij het bestemmingsplan De Run 2012 ASML is beschreven.

In 2012 is voor het uitbreidingsgebied (het westelijke bedrijfsterrein van ASML) uitgegaan van een met het bestaande oostelijk bedrijfsterrein vergelijkbare invulling (aldus voorzien van zowel magazijnfuncties, cleanrooms, technische ruimten alsook kantoren). Op basis hiervan en de verhouding qua oppervlakte bedrijfsterrein (3/3 bestaand en 1/3 uitbreiding) is gekomen tot extra verkeersbewegingen (1 voertuig = 2 bewegingen, komen en gaan) voor het uitbreidingsgebied : personenwagens 2500, vrachtverkeer zwaar 70, vrachtverkeer licht 10. Vervolgens is - om discussie over details te voorkomen - aan deskundige Arcadis verzocht om uit te gaan van aanzienlijk meer extra verkeersbewegingen en de aanvaardbaarheid hiervan te beoordelen. Aldus is bureau Arcadis destijds uitgegaan van de navolgende extra verkeersbewegingen per etmaal (1 voertuig = 2 bewegingen, komen en gaan) : personenwagens 4000 (ipv 2500), vrachtverkeer zwaar 100 (ipv 70), vrachtverkeer licht 15 (ipv 10).

Arcadis gaf hierbij aan dat door de toevoeging van het extra verkeer op de Run 6800 de rotonde niet meer zal functioneren. De bestaande rotonde moest een kruispunt met verkeerslichten worden. Arcadis achtte het hierbij zinvol direct tot aanleg van de eindsituatie over te gaan, in de vorm van 3 tot 4 voorsorteervakken op de Run 6800 waar slechts 1 rijstrook lag. De wijziging van het kruispunt van de Run 6800 met de Kempenbaan werd opgenomen in het bestemmingsplan Kempenbaan-Oost, en is inmiddels - met 4 voorsorteervakken - gerealiseerd tezamen met de wijziging van de Kempenbaan-Oost (het middengedeelte) vooruitlopend op de verdere uitbreiding van de Kempenbaan en de aansluiting met de A67.

Conclusie in 2012 van Arcadis was, dat een wijziging van verkeersstromen zoals door ASML gewenst verkeerskundig hiermee aanvaardbaar is, indien aan voormelde door Arcadis beschreven voorwaarden (de realisatie van het kruispunt) wordt voldaan.

De verkeerssituatie na wegafsluiting de Run 6800 en wegomlegging (de lus)

In de thans voorgestane invulling van het westelijke bedrijfsterrein van ASML zal de nadruk meer zijn gelegen op de logistieke functie van dit gebied en zal dus sprake zijn van een meer extensief gebruik. Zowel cleanrooms alsook kantoren zullen in niet of in mindere mate in dit plangebied aanwezig zijn. Toch wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening op basis van de verhouding 3/3 bestaand en 1/3 uitbreiding uitgegaan van dezelfde extra verkeersbewegingen per etmaal als ten grondslag hebben gelegen aan het bestemmingsplan de Run 2012 ASML (1 voertuig = 2 bewegingen, komen en gaan) samenhangend met ingebruikname van het uitbreidingsgebied: personenwagens 4000, vrachtverkeer zwaar 100, vrachtverkeer licht 15.

De verschillen in verkeersstromen (2012 zwarte pijlen, 2018 rode pijlen) van en naar het westelijke deel van het ASML bedrijfsterrein zijn in onderstaande schematische weergave opgenomen. Door het vervallen van de Run 6800 zal ASML verkeer niet meer op de oorspronkelijk gedachte wijze het terrein bereiken (op de Run 6800 in de nabijheid van de A67), maar zal via de (aangepaste) Heiberg en de nieuwe ontsluiting (lus) sprake zijn van een gescheiden toegang voor enerzijds vrachtverkeer en anderzijds ASML personenautoverkeer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00110-0301_0013.png"

De gevolgen van deze wijziging voor de lokale verkeersstructuur zijn beperkt. Vanwege de beperkte extra lengte van de nieuwe route (de lus) ten opzichte van de voorheen bestaande rechtstreekse verbinding (het aan het verkeer te onttrekken gedeelte van de Run 6800) zal het verkeer over de Witvenseweg / Runstaat deze route ook na de aanleg van "de lus" blijven gebruiken. Mocht echter sprake zijn van enige verschuiving van verkeer naar de Heerseweg, dan zal dit verkeer deze alternatieve route gebruiken tot het moment dat hierdoor vertraging ontstaat (b.v. bij de onderdoorgang van de A67). Indien zulks zou gebeuren is vervolgens aannemelijk dat wederom wordt gekozen voor de route Witvenseweg / Runstaat inclusief lus. Hierdoor neemt de verkeersintensiteit op de Heersweg alsdan dienovereenkomstig af. Van permanente ten deze relevante verschuivingen in locale verkeersstromen zal derhalve geen sprake zijn.

5.10.3 Conclusie

Conclusie is dat het voorliggende bestemmingsplan niet leidt tot een onaanvaardbare verkeers- en parkeersituatie in en rondom het plangebied.

5.11 Akoestiek

Overlast van geluid op geluidsgevoelige functies dient te worden voorkomen. In de Wet Geluidhinder wordt onderscheid gemaakt tussen verkeerslawaai en industrielawaai.

Bij de bespreking van deze aspecten wordt in deze toelichting wat betreft verkeerslawaai een onderscheid gemaakt tussen "indirecte hinder" en "wegverkeerslawaai". Wat betreft industrielawaai worden besproken "industrielawaai algemeen" en "geluidzonering".

5.11.1 Verkeerslawaai: indirecte hinder

Normaliter dient bij vaststelling van een bestemmingsplan genoegzaam vast te staan, dat kan worden voldaan aan het aspect "indirecte hinder", zijnde het geluid van verkeer van en naar de in het bestemmingsplan voorziene inrichtingen, voorzover het verkeer nog aan de(ze) inrichting(en) is toe te rekenen en dus nog niet is opgenomen in het heersende verkeersbeeld (waardoor het niet meer kan worden onderscheiden van het overige verkeer).

Bij beoordeling van de aanvaardbaarheid van indirecte hinder dient aansluiting worden gezocht bij de circulaire van de Minister van VROM van 29 februari 1996, inzake "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer".

Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is echter bij een gezoneerd bedrijventerrein toetsing van indirecte hinder niet aan de orde. Het verkeer op de openbare weg op of buiten het gezoneerd industrieterrein hoeft niet te worden getoetst, omdat hierdoor het speciale regime en vergunningstelsel voor bedrijven op een dergelijk industrieterrein worden doorkruist.

5.11.2 Wegverkeerslawaai ten tijde van bestemmingsplan de Run 2012 ASML

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan de Run 2012 ASML was duidelijk dat de uitbreiding van het bedrijfsterrein van ASML aan de overzijde van de Run 6800 aanleiding zou geven tot een toename van de verkeersbewegingen van en naar dit westelijke bedrijfsterrein ter plaatse van de Run 6800.

In de toelichting bij het bestemmingsplan De Run 2012 ASML is omtrent verkeersintensiteiten het navolgende opgenomen :

Met betrekking tot de mobiele bronnen is door ASML een inschatting gemaakt van de verwachte verkeersintensiteiten samenhangend met de nieuwe parkeervoorziening. Dit betreft 4000 personenwagenbewegingen per etmaal (2 bewegingen per personenwagen), samengesteld uit 3216, 328 en 456 bewegingen in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Over het aantal vrachtwagenbewegingen werd het navolgende gemeld in deze toelichting :

Het aantal bewegingen van (lichte en zware) vrachtwagens bedraagt circa 116 per etmaal. De vrachtwagens worden behandeld ter plaatse van de expeditie aan de westzijde van de uitbreiding. Voor de verdeling over de dag-, avond- en nachtperiode is uitgegaan van respectievelijk 92, 10 en 14 bewegingen van vrachtwagens (46, 5 en 7 vrachtwagens heen en weer).

Deze getallen werden in 2012 ook door bureau Peutz gehanteerd bij hun akoestisch onderzoek. Conclusie van bureau Peutz was, dat in de toekomstige situatie na uitbreiding van het ASML terrein voor wat betreft het verkeer op de Run 6800 door het toepassen van geluidarm asfalt vanaf het ASML uitbreidingsgebied tot circa 50 m voor de kruising met de Kempenbaan wordt voldaan aan de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting (gebaseerd op de heersende waarde). Als alternatief geldt het verlagen van de snelheid op De Run 6800 tot 30 km/u. Aldus kon worden geconcludeerd dat het bestaande woon- en leefklimaat aldus op akoestisch gebied voldoende wordt gewaarborgd.

Uitvoering van voormelde verkeersmaatregelen aan De Run heeft inmiddels plaatsgevonden.

5.11.3 Wegverkeerslawaai in 2018 (en 2029)

In verband met de doorstroming van het reguliere verkeer alsmede de bereikbaarheid van het ASML bedrijfsterrein zal worden gekomen tot een nieuwe verkeersverbinding (de lus) als vervanging van de doorgaande route op de Run 6800, welke deels aan de openbaarheid wordt onttrokken en wordt herbestemd tot bedrijfsterrein tevens op maaiveldniveau.

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00110-0301_0014.png"

Bij de beoordeling van de akoestische aspecten betreffende de nieuwe verkeersverbinding om het (planologisch) bestaande bedrijfsterrein van ASML (hierna : "de nieuwe situatie") is allereerst van belang het aspect wegverkeerslawaai.

Uitgangspunt voor de beoordeling van het wegverkeerslawaai (het geluid van alle verkeer op de openbare weg) in de nieuwe situatie zijn :

  • het heersend en toekomstig verkeersbeeld regulier verkeer, en
  • het ASML verkeer.


Voor wat betreft het "ASML verkeer" is er in de nieuwe situatie geen verschil met de uitgangspunten zoals bij de totstandkoming van het bestemmingsplan De Run 2012 ASML gehanteerd. De ten deze relevante wijziging van het bestemmingsplan voor wat betreft het ASML terrein beperkt zich immers tot het op maaiveldniveau kunnen gebruiken van de Run 6800 als bedrijfsterrein voor inpandige verbindingen met de bestaande ASML bedrijfsruimte(n).

Duidelijk is dat wel sprake is van een verschil ten aanzien van de positie van de vrachtwagenbewegingen, die aanvankelijk via de Run 6800 het bedrijfsterrein van ASML zouden bereiken en die in de nieuwe verkeerssituatie via de Heiberg zullen komen en gaan.

Door bureau Peutz is voor zowel de personenautobewegingen (doorgaand verkeer en ASML verkeer) alsook voor vrachtwagenbewegingen in de nieuwe situatie gekomen tot een beschouwing over het aspect "wegverkeerslawaai" in haar rapportage van 2 mei 2018 (Rapportnummer FBB 3047-2-RA-001), hier opgenomen als Bijlage 3 bij deze toelichting.

In de situatie 2018 is uitgegaan van standaard asfalt (referentiewegdek, wegdektype W0) op de wegen De Run 6800, Heiberg, De Run 6700 en de Kempenbaan. Voor de toekomstige situatie is voor De Run 6800 uitgegaan van toepassing van geluidarm asfalt, zoals in rapport FAJ 3047-1-RA-007 van 31 mei 2013 is aangegeven als maatregel om de verhoging van de verkeersintensiteiten ten gevolge van de uitbreiding van ASML te compenseren. Thans zijn voor de verkeersintensiteiten ten gevolge van de uitbreiding van ASML dezelfde uitgangspunten gehanteerd. Uitgegaan is van een wegdek Dunne Deklagen B (wegdektype W12). Voor de wijziging van de Heiberg en de nieuw aan te leggen weg is in overleg met de gemeente uitgegaan van standaard asfalt (referentiewegdek, wegdektype W0). Het realiseren van geluidarm asfalt op deze wegen is gezien het afslaande verkeer en de aanwezige bochten niet gewenst.

De representatieve snelheid op de Kempenbaan vanaf De Run 6100 tot circa 200 m ten westen van het kruispunt met De Run 6800 bedraagt 70 km/u voor alle categorieën. Op de overige wegen bedraagt in de huidige situatie de maximale snelheid 50 km/u voor alle categorieën.

Voor de toekomstige situatie wordt voor de volgende wegdelen uitgegaan van een snelheid van 30 km/u :

  • De Run 6800: tussen De Run 6700 en de Heiberg;
  • Heiberg;
  • nieuw aan te leggen weg tussen de Heiberg en de onderdoorgang A67.

In de kern komt het aspect wegverkeerslawaai neer op het navolgende:

De geluidbelasting ten gevolge van het geluidgezoneerde deel van De Run 6800 neemt in de toekomstig maatgevende situatie af ten opzichte van de huidige situatie. De afname treedt op doordat de toename van de verkeersintensiteit wordt gecompenseerd door het realiseren van geluidarm asfalt en doordat een deel van De Run 6800 wordt opgeheven en een 30 km/u zone wordt ingesteld. Er is derhalve in het kader van de Wgh geen sprake van een reconstructie van de weg.

De geluidbelasting ten gevolge van de Heiberg neemt toe. Omdat de Heiberg in de toekomstig maatgevende situatie een 30 km/u-weg wordt, vervalt de geluidzone in het kader van de Wgh. De geluidbelasting ten gevolge van de nieuwe weg naar de onderdoorgang A67 bedraagt ten hoogste 43 dB inclusief 5 dB aftrek. Omdat deze weg een 30 km/u-weg wordt is geen sprake van een geluidzone in het kader van de Wgh.

Uit het bovenstaande blijkt dat de geprojecteerde wijzigingen van de wegen rondom het bedrijfsterrein van ASML voldoen aan de geluidgrenswaarden van de Wgh.

De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer is op alle beschouwde wegen in de toekomstig maatgevende situatie (2029) gelijk aan of lager dan de gecumuleerde geluidbelasting in de huidige situatie (2018). Derhalve is met de geprojecteerde wijzigingen voor het aspect geluid sprake van een goede ruimtelijke ordening. Aldus is de conclusie, dat vanuit wegverkeerslawaai er geen belemmering bestaat voor de totstandkoming van de nieuwe wegenstructuur c.q. de vaststelling van het bestemmingsplan de Run 2018 ASML.

5.11.4 Industrielawaai: algemeen

In eerste instantie wordt het beheersen van industrielawaai naar omliggende geluidsgevoelige objecten als onderdeel in het toekennen van een maximale milieucategorie aan het plangebied meegenomen. In de Staat van bedrijfsactiviteiten worden voor diverse milieuaspecten, zoals geluid, een indicatieve afstand tot geluidsgevoelige objecten gegeven.

Wat de inrichting van ASML betreft is vanwege de toegenomen omvang hiervan inmiddels sprake van een bedrijf gericht op de vervaardiging van machines en apparaten met een oppervlakte groter dan 2000 m2 (SBI 2008 indeling 27, 28, 33), zijnde een bedrijf in de categorie 4.1.. Het hierbij meest relevante hinderaspect betreft "geluid" en kent een afstandsnorm van 200 meter. Vanwege de hierna te bespreken geluidzone om de inrichting van ASML is het aspect geluid echter aan heel concrete eisen gebonden, waardoor veel kleinere afstanden gelden dan de reguliere 200 meter. Op basis hiervan wordt ASML als specifiek categorie 4.1. bedrijf ter plaatse aanvaardbaar geacht.

5.11.5 Industrielawaai: geluidzonering

In de Wet geluidhinder is bepaald, dat rond industrieterreinen, waarop inrichtingen volgens 2.1 lid 3 BOR zijn gevestigd - zoals het bedrijf ASML dat de in artikel 2.1 lid 3 BOR genoemde grens van 15 MW voor het in de inrichting aanwezige motorische vermogen echter inmiddels overschreden - een geluidzone moet zijn vastgesteld, waarbuiten de geluidsbelasting vanwege dat terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. Hiermee wordt beoogd ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen industriële activiteiten en geluidsgevoelige functies, zoals wonen en onderwijs. De voorgeschreven geluidsniveaus zijn gemiddelden over 24 uur. Voor kortstondige geluiden geldt dat deze bij voorkeur niet hoger mogen zijn dan 10 dB boven het gemiddelde geluidsniveau met een maximum van 70-65-60 dB(A) (in respectievelijk dagperiode, avond en nacht).

Deze geluidzone rondom het ASML bedrijfsterrein is vastgelegd in het bestemmingsplan "De Run 2012 ASML geluid". Wat betreft omliggende bebouwing van derden wordt de zonegrens gerespecteerd, en wordt aldus onverminderd uitgegaan van de voorkeursgrenswaarde van 50dB(A) en de hogere waarde van 55 dB(A) bij het MMC.

5.11.6 Industrielawaai: het ASML bedrijfsterrein

In het kader van de totstandkoming van een bestemmingsplan dient aannemelijk gemaakt te worden dat wat betreft industrielawaai kan worden voldaan aan alle relevante geluidsnormen. Of daadwerkelijk wordt voldaan wordt vervolgens getoetst in het kader van de omgevingsvergunning bij de concrete invulling van het plangebied.

In het kader van onderhavige bestemmingsplan is aan de orde de vraag of de nieuwe verkeersverbinding om het (planologisch) bestaande bedrijfsterrein van ASML en de bebouwing van de Run 6800 (hierna : "de nieuwe situatie") invloed heeft op het aspect industrielawaai bestaande uit de geluidsaspecten van(uit) de ASML gebouwen alsmede het ASML (vracht)verkeer op eigen terrein. Aannemelijk dient te zijn dat ook in de nieuwe situatie het geluid vanaf het bedrijfsterrein binnen de geluidzone valt.

Het bestaande ASML bedrijfsterrein c.q. de op grond van het bestemmingsplan De Run 2012 ASML mogelijk gemaakte bedrijfsbebouwing is grotendeels geen onderdeel van dit bestemmingsplan De Run 2018 ASML. Door het afsluiten van de Run 6800 en het doortrekken van ASML bebouwing op maaiveld zal sprake zijn van een deels andere invulling, waarbij ook de parkeergarage thans parallel aan de A67 wordt voorzien (zoals de bestaande parkeergarage).

afbeelding "i_NL.IMRO.0861.BP00110-0301_0015.png"

De ingang en uitgang van het ASML bedrijfsterrein voor vrachtverkeer kan zijn gelegen aan de Heiberg op een afstand van minimaal 90 meter van de nabij gelegen bedrijfswoning aan de Run 6814, dan wel op de nieuwe weg. De weergegeven indicatieve inrit vrachtverkeer wordt de meest waarschijnlijke keuze geacht. De verkeersbewegingen van personenauto's zullen via de meest zuidelijke toegang plaatsvinden.

Door bureau Peutz is voor de nieuwe situatie gekomen tot een beschouwing over het geluid in de omgeving ten gevolge van het bedrijfsterrein van ASML te Veldhoven in haar rapportage van 3 mei 2018 (rapportnummer FBB 3047-1-RA-001), hier opgenomen als Bijlage 4 bij deze toelichting.

Ten opzichte van het geluidonderzoek voor de bestaande omgevingsvergunning van ASML zijn de mogelijke locaties van de gebouwen ten westen van De Run 6800 gewijzigd. Het productie-, techniek- en of logistiekgebouw is thans aansluitend op de bestaande bebouwing (gebouw 5H) geprojecteerd. De stallingsgarage is vervangen door een parkeergarage naast de Rijksweg A67 ten noorden van de nieuw aan te leggen openbare weg (de lus). Van deze representatieve bedrijfssituatie is in het kader van dit bestemmingsplan de Run 2018 ASML uitgegaan. De uitgangspunten met betrekking tot de geprojecteerde aantallen voertuigen en bedrijfstijden van de stationaire installaties zijn niet gewijzigd ten opzichte van rapport FAJ 3047-1-RA-007 van 31 mei 2013 dat in het kader van het bestemmingsplan De Run ASML 2012 is opgesteld. De locatie van de verkeersbewegingen en stationaire installaties is wel gewijzigd.

Met betrekking tot de mobiele bronnen wordt (ten opzichte van 2012) ongewijzigd uitgegaan van de in paragraaf 5.11.2. genoemde personenwagen- en vrachtwagenbewegingen per etmaal. De personenwagens rijden via de geprojecteerde in- en uitrit aan de nieuw te realiseren weg op de westelijke uitbreiding naar de parkeergarage. Voor de in- en uitrit van de vrachtwagens kan worden gekozen voor een locatie aan de Heiberg dan wel een locatie aan de westzijde van het terrein vanaf de nieuw aan te leggen weg.

Uitgaande van voormelde representatieve bedrijfssituatie blijkt, dat ter plaatse van de woningen wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A)-etmaalwaarde (50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode). De geluidbelasting op de bebouwingsgrens van het ziekenhuis voldoet aan de verleende hogere waarde van 55 dB(A)-etmaalwaarde. Ter plaatse van de zonegrens wordt voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A)-etmaalwaarde.

Uit tabel 4.3 blijkt dat voldaan wordt aan de geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau (LAmax) van 70, 65 en 60 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Om ter plaatse van de woningen en op de zonegrens (zonder geluidschermen en/of afschermde werking van gebouwen) te kunnen voldoen aan de geluidgrenswaarden dienen randvoorwaarden toegepast te worden betreffende :

  • de afstand (in de avond- en nachtperiode) van de op het bedrijfsterrein rijdende vrachtwagens en de woningen De Run 6814 en Heiberg 32,
  • de afstand (voor wat betreft de nachtperiode) tussen de laad- en loslocaties van de vrachtwagens en de woningen De Run 6814 en Heiberg 32 alsmede ten opzichte van positie Z16


Met inachtneming van deze kaders is bedrijfsbebouwing voor ASML alleszins mogelijk.

5.11.7 Conclusie

Aldus is de conclusie ten aanzien van de nieuwe situatie dat :

  • vanuit wegverkeerslawaai kan worden voldaan aan de normstelling, en
  • vanuit industrielawaai kan worden gekomen tot de nieuwe situatie waarin kan worden voldaan aan de normen voor zowel het langtijdgemiddelde geluidniveau alsook het maximale geluidniveau (beide zowel voor wat betreft geluid vanuit bedrijfsbebouwing alsook voor wat betreft geluid samenhangend met verkeersbewegingen op het eigen bedrijfsterrein),

waardoor er ten aanzien van het aspect geluid geen belemmering bestaat voor de totstandkoming van de nieuwe wegenstructuur c.q. de vaststelling van het bestemmingsplan de Run 2018 ASML.

5.12 Externe veiligheid

Feiten en regelgeving

In het kader van onderhavige bestemmingsplan is aan de orde de vraag of de nieuwe verkeersverbinding om het (planologisch) bestaande bedrijfsterrein van ASML, de bebouwing op maaiveld van de Run 6800 en de beperkte uitbreiding aan de westelijke zijde zonder bouwvlak (hierna : "de nieuwe situatie") invloed heeft op het aspect externe veiligheid.

Het bestaande ASML bedrijfsterrein c.q. de op grond van het bestemmingsplan De Run 2012 ASML mogelijk gemaakte bedrijfsbebouwing is grotendeels geen onderdeel van dit bestemmingsplan De Run 2018 ASML. Door het afsluiten van de Run 6800 en het doortrekken van ASML bebouwing op maaiveld zal sprake zijn van een deels andere invulling, waarbij ook de parkeergarage thans parallel aan de A67 wordt voorzien (zoals de bestaande parkeergarage).

Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015.

Bij het Bevt horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10-6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10-6 per jaar.


Beoordeling

Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen zijn de risicokaart en de bijlagen bij de Regeling basisnet geraadpleegd. Het plangebied ligt op ruime afstand van een vaar- of spoorweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Direct aangrenzend aan het plangebied loopt aan de zuidzijde wel de A67, hetgeen een rijksweg betreft zoals opgenomen in bijlage I van de Regeling basisnet. Binnen de PR 10-6 contour van deze vervoersas zijn geen kwetsbare objecten toegestaan, beperkt kwetsbare objecten alleen onder zwaarwegende belangen. Voor een bestemmingsplan gelegen langs de A67 kan de berekening van het plaatsgebonden risico echter achterwege blijven en dient te worden gekeken naar de te respecteren veiligheidszone voor het betreffende wegvak, welke op dit punt 29 meter betreft, gemeten vanuit het midden van de weg. In het kader van het Basisnet geldt langs de A67 tevens een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter, gemeten uit de dichtsbijgelegen kantstreep.

De zuidelijke begrenzing van het plangebied is gelijk aan de grens van het vigerende bestemmingsplan. Binnen het plangebied is geen sprake van een wijziging van het bouwvlak, dat ruim buiten de PR risicocontour van de A67 is gelegen. Deze contour bedraagt 29 meter (gemeten vanuit het midden van de A67) en reikt niet tot binnen het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan.

De contour van het plasbrandaandachtsgebied van 30 meter vanaf de rand van de weg reikt wel tot binnen het plangebied. In deze zone moet rekening worden gehouden met de effecten van een plasbrand en gelden op basis van het Bouwbesluit 2012 aanvullende eisen voor de bouw van nieuwe bouwwerken. Binnen deze afstand zal sprake zijn van de nieuwe openbare weg (de lus) en zal derhalve geen nieuwe bebouwing ontstaan. De in het bestemmingsplan De Run 2012 ASML op basis van vigerend gemeentelijk beleid op de verbeelding opgenomen gebiedsaanduiding "veiligheidszone - vervoer gevaarlijke zone" voor het gebied direct aansluitend aan de A67 (in welk gebied geen kwetsbaar object of beperkt kwetsbaar object mag worden gerealiseerd) zal thans een verkeersbestemming krijgen.

Wat het groepsrisico betreft ligt het invloedsgebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A67 wel over het plangebied. Voor het bepalen van de hoogte van het groepsrisico is het aantal potentiële slachtoffers binnen dit invloedsgebied van belang. De gemeente Veldhoven hanteert als uitgangspunt dat de risico's zo laag mogelijk en zo goed mogelijk beheersbaar moeten zijn. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico is niet leidend bij de bepaling van de toelaatbaarheid van een (ruimtelijke) ontwikkeling. In de verantwoording van het groepsrisico ligt de nadruk op een integrale weging van wat is/kan worden bereikt in de vier schakels uit de Veiligheidsketen en de omvang van de restrisico's.

In de beleidsvisie externe veiligheid 'Veldhoven Veiliger', d.d. juni 2008, is ondermeer het gemeentelijke afwegingskader voor de verantwoordingsplicht van het groepsrisico uitgewerkt. In dit kader zijn op basis van de invloedsgebieden van de verschillende type stoffen brandbare vloeistoffen, brandbare gassen, toxische gassen) de invloedsgebieden rondom transportassen opgedeeld in drie zones. Het plangebied is grotendeels gelegen in zone II en III van de A2/A67-zone:

  • Zone II (30-250 meter): zone waarbinnen geen grootschalige kwetsbare objecten gerealiseerd mogen worden (grote kantoren, > 50 woningen, etc.). Deze zone hangt samen met het invloedsgebied van brandbare gassen (BLEVE).
  • Zone III (250-500 meter): zone waarbinnen in principe geen beperkingen worden gelegd aan het ruimtegebruik. Alleen voor zeer kwetsbare objecten (grote kantoren, scholen, verzorgingstehuizen, etc.) geldt de verplichting tot het nemen van maatregelen om de effecten van een toxische gaswolk te reduceren.


Voor de verantwoording van het groepsrisico in zone II is maatwerk noodzakelijk. In zone III is maatwerk noodzakelijk voor grote groepen minder/beperkt zelfredzame personen.

Onderhavig bestemmingsplan houdt een beperking in van de hoeveelheid m2 bedrijventerrein en zal niet zal leiden tot de aanwezigheid van extra personen (aan de orde is een nieuwe openbare weg, een doorgang op maaiveld in plaats van op 5 tot 12 meter hoogte en onbebouwd bedrijfsterrein ten westen) is geen sprake van de realisatie van (zeer) kwetsbare objecten en neemt de hoogte van het GR niet toe door vaststelling van het bestemmingsplan. Een verantwoording van het groepsrisico is derhalve niet nodig. Bij eventuele nieuwbouwplannen (welke grotendeels gerealiseerd zullen worden binnen het plangebied van het bestemmingsplan de Run 2012 ASML) dient uiteraard rekening gehouden met de beleidsregels, waarbij een maatwerkaanpak zal worden gehanteerd.

Op grond van artikel 7 van het Bevt dient wel te worden ingegaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op de weg en op de mogelijkheden voor zelfredzaamheid van de personen in geprojecteerde kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten. Voorliggend bestemmingsplan heeft geen gevolgen voor de mogelijkheden om een calamiteit op de A67 te bestrijden: de A67 ligt niet binnen het plangebied en het bestemmingsplan biedt geen ontwikkelingsmogelijkheden die van invloed zijn op de bereikbaarheid van de A67 of op de bereikbaarheid van (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Met betrekking tot zelfredzaamheid kan worden aangegeven dat werknemers van ASML over het algemeen voldoende zelfredzaam en kunnen in geval van een calamiteit op de A67 van de ramp af vluchten of schuilen.


Conclusie

Het bestemmingsplan de Run 2018 ASML brengt geen wijzigingen ten aanzien van bebouwings- of gebruiksmogelijkheden welke van invloed zijn op het aspect externe veiligheid. Conclusie is aldus dat het aspect externe veiligheid totstandkoming van het voorliggende bestemmingsplan niet in de weg staat.

5.13 Geurhinder

Vanwege het vervallen van de desbetreffende vergunningen behoeft in het kader van dit bestemmingsplan geen rekening meer gehouden te worden met het aspect geurhinder c.q. zijn hiertoe geen nadere bepalingen op te nemen c.q. beperkingen van kracht.

5.14 Luchtkwaliteit

In het kader van dit bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij dient het effect op de luchtkwaliteit als gevolg van een nieuwe ontwikkeling en de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht.

  • De luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe Wet luchtkwaliteit geen belemmering voor een ruimtelijke ontwikkeling als:
    er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
  • een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
  • een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).


In de Algemene Maatregel van Bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd, die betrekking hebben op het begrip NIBM. De EU heeft medio 2009 derogatie verleend waarmee het NSL inwerking is getreden. De NIBM norm is daarbij opgeschoven naar 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10.

Voorzover dit bestemmingsplan de Run 2018 ASML nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt - zijnde de wegomlegging en de beperkte uitbreiding van het bedrijfsterrein aan de meest westelijke zijde - kan worden vastgesteld dat dit geen ontwikkelingen zijn waarvoor aan het aspect luchtkwaliteit getoetst dient te worden

Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.

5.15 IHCS

Het plangebied is gelegen in de zone van 95-165 meter van de Inner Horizontal and Conical Surface (IHCS). In deze zone mogen geen bouwwerken met een dergelijke hoogte gebouwd worden. Het bestemmingsplan voorziet niet in bouwwerken met een dergelijke hoogte.

5.16 MER- (beoordelings)plicht

De m.e.r.-regelgeving is opgenomen in de Wet milieubeheer, het Besluit milieueffectrapportage en Europese richtlijnen. De regelgeving is erop gericht het milieu een volwaardige plaats in besluitvormingsprocessen te geven.

Uit de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 volgt dat de omvang van een project voor een gemeente niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.- (beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde zit, kan ook een kleiner project belangrijke nadelige milieugevolgen hebben.

Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of dit laatste het geval is. Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient dus primair bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn.

Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is.

Op 16 mei 2017 is de Implementatiewet 'herziening m.e.r.-richtlijn' in werking getreden. Met deze wet wordt de herziene Europese m.e.r.-richtlijn in Nederlandse wetgeving vertaald. Op basis van deze wetgeving worden voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling enkele procedurele vereisten uit de Wet milieubeheer van toepassing. Dit betekent dat de initiatiefnemer voortaan een melding moet doen van het voornemen om een activiteit uit te voeren die beneden de drempelwaarde van de D-lijst van het Besluit m.e.r. blijven. De wijziging van het Besluit m.e.r. is op 7 juli 2017 in werking getreden. Waar tot de wetswijziging het voor activiteiten die onder de drempelwaarde uit de D-lijst bleven geen besluit nodig was voor de m.e.r. (vormvrij), moet nu voor elke activiteit een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gemaakt, en er moet daarop worden besloten.


Vormvrije MER beoordeling

Met voormelde wijziging is een aparte beoordeling nodig geworden die voorafgaand aan de behandeling moet plaatsvinden. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan uiteindelijk tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.


De voorliggende ontwikkeling is qua aard en omvang niet te vergelijken met de projecten die in lijst C 'Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage verplicht is' zijn opgesomd. In de drempelwaardenlijst wordt onder het geval D11.2 genoemd: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft :

  • een oppervlakte van 100 hectare of meer,
  • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.


Het bestemmingsplan dat een beperkte bebouwing op maaiveld mogelijk maakt van circa 2500 m² en het realiseren van een wegomlegging als de onderhavige valt niet onder een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r.. Op grond daarvan is dus geen m.e.r. beoordeling nodig.

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r wordt benoemd wat onder een gevoelig gebied wordt verstaan: gebieden die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.

Het plangebied is niet in een dergelijk gebied gelegen en is dusdanig ver verwijderd van de Ecologische Hoofdstructuur of overig beschermd natuurgebied dat van externe werking geen sprake is. Voor wat betreft het aspect stikstofdepositie heeft in de "Quickscan stikstofdepositie ASML te Veldhoven d.d. 15 maart 2018" van bureau Tauw (Bijlage 2) een beoordeling plaatsgevonden, welke is beschreven in paragraaf 5.8.2., met als conclusie

De resultaten zijn lager dan 0,05 mol/ha/jaar. Effecten beneden deze zogenoemde drempelwaarde zijn verwaarloosbaar en worden dan ook als niet significant beschouwd"

Uit bovenstaande afweging c.q. beoordeling volgt dat negatieve effecten voor het milieu zijn uit te sluiten. Een MER is niet noodzakelijk. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft voorafgaand aan het vrijgeven van het ontwerpbestemmingsplan plaatsgevonden - op basis waarvan een nadere MER beoordeling vervolgens niet is uitgevoerd - en kan worden volstaan met hetgeen in deze toelichting is verwoord.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een toelichting en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Opzet regels en verbeelding sluit aan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) en op de modelregels van de gemeente Veldhoven.

De verbeelding zorgt voor visualisering van de bestemmingen en omvat de gronden die voor de ontwikkeling van het plan van belang zijn. De keuze van de bestemmingen en de situering van het bestemmingsvlak is gebaseerd op de huidige planologische situatie.

De regels regelen hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd en bestaan uit vier hoofdstukken :

  • 1. inleidende regels;
  • 2. bestemmingsregels;
  • 3. algemene regels;
  • 4. overgangs- en slotregels.

In de toelichting wordt gemotiveerd waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De toelichting vormt een interpretatiekader voor de uitleg van de regels, indien hierover interpretatieverschillen blijken te bestaan.

6.2 Opzet van de regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Begrippen

In dit artikel worden begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 standaard omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.


Wijze van meten

In dit artikel wordt aangegeven hoe de hoogte en andere maten, die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.


Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • wijzigingsbevoegdheid.


Een bestemming hoeft niet alle elementen te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. Onderstaand worden de in het bestemmingsplan gehanteerde bestemmingen toegelicht.


Artikel 3 Bedrijventerrein

Deze bestemming bevat de regeling voor de bedrijfsvestigingen. De gronden zijn bestemd voor bedrijven, nutsvoorzieningen, onzelfstandige kantoren, groenvoorzieningen, verkeers- en (gebouwde) parkeervoorzieningen, geluidwerende voorzieningen en tenslotte water, alsmede waterhuishoudkundige voorzieningen. Bedrijven zijn toegestaan voor zover deze behoren tot milieucategorie 3.1 tot en met 4.1 uit de Staat van bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat voor wat betreft de bedrijven in milieucategorie 4.1 slechts is toegestaan een bedrijf gericht op de vervaardiging van machines en apparaten met een productieoppervlakte groter dan 2000 m2 (SBI 2008 indeling 27, 28, 33), zijnde de bedrijfsvoering van ASML. De Staat van bedrijfsactiviteiten (bijlage 1) completeert dit artikel. Bedrijven welke vallen onder artikel 2.1, derde lid van het Besluit omgevingsrecht zijn toegestaan, doch uitsluitend voorzover rondom het betreffende bedrijfsterrein sprake is van een geluidzone als bedoeld in de Wgh en is aangetoond dat wordt voldaan aan deze geluidzone. Risicovolle inrichtingen zijn uitsluitend toegestaan bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.5.3.

Detailhandel is uitsluitend toegestaan in de vorm van ondergeschikte detailhandel. Kantoren zijn enkel toegestaan als onzelfstandig onderdeel van een ter plaatse aanwezig bedrijf.

Reclamemasten mogen niet worden opgericht binnen het plangebied.

De vestiging van nieuwe bedrijfswoningen is niet toegestaan.

Voorts bevat de nadere detaillering van de doeleinden bepalingen ten aanzien van oppervlakte van bedrijfspercelen.

De toegestane maatvoering voor gebouwen wordt geregeld in de bouwregels.

Naast een toegestaan maximaal bebouwingspercentage wordt uit een oogpunt van efficiënt ruimtebeheer ook een minimaal bebouwingspercentage vermeld. De gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Ter plaatse van de (gebieds)aanduiding "veiligheidszone - vervoer gevaarlijke zone", mag geen kwetsbaar object of beperkt kwetsbaar object worden opgericht.

Aan de situering van kelders worden geen nadere voorwaarden gesteld voor zover en indien deze geheel ondergronds worden gerealiseerd. Als kelders zich deels boven het maaiveld bevinden, mogen ze uitsluitend worden gerealiseerd binnen het bouwvlak en tellen ze mee voor het bebouwingspercentage.

In de regels zijn bepalingen opgenomen die de maatvoering regelen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en meer specifiek voor het oprichten van schotelantennes.

Van een aantal van de in de bebouwingsregeling opgenomen bepalingen kan worden afgeweken door het bevoegd gezag (College van B&W). Ook is een aantal afwijkingsmogelijkheden van gebruiksregels opgenomen.


Artikel 4 Verkeer en verblijfsdoeleinden

In de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" zijn de openbare ruimten bestemd die tevens een verkeersfunctie hebben. Binnen deze bestemming is de maximale breedte van rijstroken van wegen aangegeven en zijn hondenuitlaatplaatsen uitgesloten. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ten dienste van de bestemming. Verkooppunten voor motorbrandstoffen zijn niet toegestaan. Voorts zijn "bouwwerken geen gebouwen zijnde" toegestaan met gelimiteerde bouwhoogten. Bij omgevingsvergunning kan van de maatvoering voor nutsvoorzieningen en antenne-installaties worden afgeweken.


Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

Dit artikel regelt dat grond die is meegerekend bij het toestaan van een bouwplan, niet nogmaals kan worden meegerekend bij de beoordeling van een later bouwplan.


Artikel 6 Algemene aanduidingsregels

In de algemene aanduidingsregels worden regels gegeven betreffende de aanduiding 'luchtvaartverkeerszone - inner horizontal conical surface (IHCS)', de 'vrijwaringszone - reserveringsgebied Rijksweg A67' en de 'vrijwaringszone - reserveringsgebied Rijksweg A67'


Artikel 7 Algemene afwijkingsregels

In artikel 7 wordt een geclausuleerde algemene afwijkingsbevoegdheid gegeven aan het bevoegd gezag om maximaal 10 % van een aantal in het plan opgenomen maten af te wijken.


Artikel 8 Algemene wijzigingsregels

In artikel 8 wordt het bevoegd gezag via de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid de mogelijkheid geboden om de bebouwingslijnen en de aanduidingsgrenzen met maximaal 5 meter te verschuiven.


Artikel 9 Algemene procedureregels

In dit artikel wordt aangegeven welke procedure er gevolgd moet worden bij de toepassing van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden.


Artikel 10 Overige regels

In dit artikel wordt de realisatie en in standhouding van voldoende parkeervoorzieningen geborgd.


Artikel 11 Overgangsrecht

In artikel 11 is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven.


Artikel 12 Slotregel

Dit artikel bevat de slotregel, waarin is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

Onderstaande instanties zijn om een reactie gevraagd in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening en hebben (samengevat) onderstaande reactie gegeven:

  • Waterschap De Dommel

ASML heeft het Waterschap proactief betrokken bij de waterhuishoudkundige uitwerking van het plan. Hieruit blijkt dat het hemelwater binnen de ontwikkeling wordt geborgen en dat er zorgvuldig wordt omgegaan met de bestaande afwateringsstructuur in het gebied.

In de toelichting van het voorontwerpbestemmingsplan staat nog dat het hemelwater wordt afgevoerd en geborgen in de ecologische zone bij De Hogt en een verwijzing naar een memo (5.9.4 laatste alinea), dit is dus inmiddels achterhaald.

Gezien het feit dat het Waterschap proactief betrokken wordt bij de waterhuishoudkundige uitwerking heeft het Waterschap vertrouwen in dit proces. Het Waterschap laat het aan de gemeente over om in samenspraak met ASML de toelichting tekstueel aan te passen.

  • Veiligheidsregio

Onze reactie

Inhoudelijk hebben wij geen opmerkingen over het bestemmingsplan. Wij adviseren om bij de verdere uitwerkingsplannen van de wegen de beleidsregels 'Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening' toe te passen. Zodat de wegen goed begaanbaar zijn voor de voertuigen van de hulpdiensten. Wij kunnen u daarbij helpen en het document is te raadplegen op: https://www.brandweer.nl/media/3853/170307-beleidsregels-bereikbaarheid-en-blus w atervoorziening-brabant-definitief-1-0-vastgesteld.pdf


Toelichting

De bestemmingsplanwijziging houdt in een beperking van de hoeveelheid vierkante meters aan bedrijventerrein, een nieuwe openbare weg en een nieuwe doorgang. Dit leidt niet tot een toename van het aantal personen. Wij hebben daarom geen opmerkingen over de zelfredzaamheid. De bluswatervoorziening voldoet. De wegenstructuur is beschreven en is goed bereikbaar voor ons. Het is van belang bij de verdere uitwerking dat bijvoorbeeld de afmetingen van de wegen blijven voldoen aan de beleidsregels. Vandaar onze opmerking om bij de verdere uitwerkingsplannen van de wegen de beleidsregels 'Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening' aan te houden.

  • N.V. Nederlandse Gasunie:

Het voornoemde plan is door ons getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid. Op grond van deze toetsing komen wij tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van onze dichtst bij gelegen aardgastransportleiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling.

  • Rijksvastgoedbedrijf, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Deze ontwikkeling raakt geen Defensiebelang, dus geen verdere op- of aanmerkingen

  • Rijkswaterstaat Zuid-Nederland


Voor zover ik kan controleren ligt het bestemmingsplan buiten rijkseigendom. In het bestemmingsplan is een vrijwaringszone opgenomen. Met betrekking tot de afwatering van het ASML-terrein is aangegeven dat een deel van de afwatering van het terrein via de bermsloot plaats vindt. Hierbij is tevens aangegeven dat door het waterschap de Dommel is bevestigd dat er geen sprake is van waterhuishoudkundige belemmeringen. Onduidelijk is in hoeverre hier ook met Rijkswaterstaat als beheerder van de A67 overleg is of wordt gevoerd.

Verder is onduidelijk in hoeverre de maatregelen die in paragraaf 5.9.2 zijn aangekondigd (onder andere de aanleg van een retentiebekken door gemeente en het zorg dragen voor afvoer van regenwater naar dit bekken) momenteel zijn uitgevoerd.

Ik verzoek u de toelichting op deze punten aan te vullen/ te actualiseren.


Met vorenbedoelde opmerkingen is daar waar nodig rekening gehouden in de verbeelding, de regels en fr toelichting bij het bestemmingsplan, die op onderdelen zijn verfijnd.

7.2 Zienswijzen

Onderhavig bestemmingsplan heeft met de ingang van ……. voor de duur 6 weken ter visie gelegen. Gedurende deze ter visielegging zijn de onderstaande zienswijzen binnen gekomen:

  • 1. ….
  • 2. ….

7.3 Economische uitvoerbaarheid

Ten aanzien van de financieel-economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan zijn enkele aspecten te onderscheiden.

De kosten voor het verwerven van de benodigde gronden, het realiseren van gebouwen alsmede de aanleg van de nieuwe openbare wegen komen voor rekening van ASML.


Aan dit bestemmingsplan zijn, behoudens de kosten voor het opstellen van het plan en het begeleiden van de procedure, voor de gemeente geen kosten verbonden. Tussen ASML en de gemeente Veldhoven is een anterieure exploitatieovereenkomst gesloten, zodat genoegzaam in kostenverhaal inclusief planschadekostenverhaal wordt voorzien en derhalve geen exploitatieplan behoeft te worden opgesteld.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de financieel-economische haalbaarheid van het bestemmingsplan afdoende is gewaarborgd.